Onduidelijke woorden verbieden

Willem Wilmink zei ons dat als je duidelijk schrijft je vanzelf democratiseert. Ik heb dat altijd een mooie uitspraak gevonden.
Tien jaar na deze opmerking kwam ik Willem tegen op een feest. Het zal begin jaren tachtig zijn geweest. We spraken over het woord ‘identiteit.’ Willem zei dat hij zo’n woord niet snel in een liedje zou gebruiken. Ik vroeg waarom niet. Waarop Willem zei: ‘Zou ik eerst moeten opzoeken in een woordenboek wat het precies betekent. Daar ben ik te lui voor.’
Dertig jaar later wordt er nog over ‘identiteit’ gesproken als over iets wat je in een etalage kunt zetten. Ik doe aan die gesprekken mee, en altijd moet ik dan aan Wilmink denken. Na al die jaren heb ik nog steeds niet in het woordenboek gekeken wat daar nu over identiteit staat.
Afgelopen zondag was ik weer eens in een soort theater om mee te doen met de honderdzoveelste
discussie over de vrijheid van meningsuiting, waarin ik ondertussen een tamelijk extreem standpunt heb ontwikkeld, dat ik u eerdaags ga mededelen.
Een jonge moslim kwam opeens met de vraag ‘waarom ik zijn identiteit wilde afpakken, ja zelfs vernietigen’.
Ik vond dat een interessante zin, vooral ook omdat hij er applaus mee oogstte. Mijn vraag was: welke identiteit pakte ik hoe af en hoe vernietigde ik die vervolgens?
Waarop de jonge moslim zei: ‘Dit is precies waar het om gaat. U bent dom als u dat niet begrijpt!’
Weer applaus.
Dus zei ik: ‘Ik begrijp het echt niet. Ik begrijp dat je moslim bent. Jij begrijpt dat ik dat niet ben. Jij begrijpt ook dat ik tegen de islam ben. Ik ben tegen elk geloof. Ik bestrijd geloof. Soms. Wat iemand gelooft, kan me eigenlijk niets schelen. Ik kom er pas tegen in opstand als ik er in de publieke ruimte mee te maken krijg op een manier die mij stoort. Je zegt dat jouw identiteit wordt bepaald door je geloof. Mooi. Maar hoe pak ik dan jouw identiteit af en hoe vernietig ik die dan?’
Toen kreeg iemand anders het woord en hoorde ik weer hoe dom ik was.
Nu had ik vorig jaar net besloten om nooit, nooit, echt nooit meer aan zo’n debat mee te doen, maar dit debat kon ik om persoonlijke redenen niet weigeren; ik nam mij wederom voor zo’n arena nimmer meer te betreden.
‘Ik ben dom. U allen bent veel intelligenter dan ik. Maar leg het mij dan uit!’ riep ik wanhopig.
‘Wij hebben genoeg van die Wilders-praatjes van u’, was het antwoord.
‘Nu wordt mijn identiteit bepaald door iemand die ik niet ken, die ik niet volg, op wie ik niet stem…’ – mijn woorden gingen verloren.
De jeugd die in het café zat, leek me redelijk goed opgeleid. Ze studeerden nog, vermoedde ik. Ze waren moslims en ik begreep dat ze zichzelf zagen als jongturken en mij als een oudturk. Ik was de gevestigde orde, het establishment, de burgerlijke kliek, zij waren het nieuwe bewind. Zoals zij tegen mij tekeergingen, zo was ik als communist tegen de oudere generatie van toen tekeergegaan. Ik weet wat ik toen schreeuwde en meende; misschien ben ik daarom wel bang voor ze.
Soms denk ik dat alle problemen die er tussen moslims en niet-moslims bestaan taalproblemen zijn. (Dat denk ik trouwens van bijna alle problemen.)
Denkend aan de woorden van Wilmink dacht ik: wanneer de vrijheid van meningsuiting beperkt zou worden door een verbod op onduidelijke begrippen en woorden, zou ons dat helpen?
Ik schudde mijn hoofd. Het kwaad zit ’m namelijk hierin dat iedereen meent die onduidelijke woorden heel goed te begrijpen. Identiteit, geloof, solidariteit, barmhartigheid, islamisme, kapitalisme – en ga zo maar door.