Onechte billen

Of iets echt is gebeurd of niet, dat is voor een schrijver oninteressant. De werkelijkheid is zijn boek, zijn boek is de werkelijkheid.

Onechte billen… ’t is ontleend aan het openingsgedeelte van Verwoest Arcadië, de autobiografie van iemand die ik ‘ik’ noemde, een biografie van de eerste twintig levensjaren van die ik. Het boek verscheen in 1980.
‘Eerlijk moest je zijn. Het was noodzakelijk dat hij met zijn billen bloot ging. Als hij er maar steeds voor zorgde een paar onechte billen op zak te hebben. Die moest hij de mensen zo oprecht mogelijk toesteken.’
Fictie dus en een ‘ik’ die door een ander wordt bekeken. Er zijn boeken ‘roman’ genoemd om geringer redenen. Dat deze roman nadrukkelijk was ondergebracht in de reeks ‘Privé-domein’, een reservoir van louter autobiografieën, maakte deel uit van het spel. Die inkwartiering zette het begrip ‘roman’ op losse schroeven. Of het begrip ‘autobiografie’, dat kan vanzelf ook.
De schrijver houdt de lezer voor de gek. Hij wordt ook geacht de lezer voor de gek te houden, want de ware lezer – de echte, de pure – verwacht vuurwerk, koorddanskunsten en konijnen uit de hoge hoed. De schrijver is de potsenmaker die de lezer uit zijn halfslaap houdt. Een wijze nar soms, maar een nar.
Zulke schrijvers en lezers begrijpen elkaar, omdat ze één werkelijkheid delen. Er is veel werkelijkheid in de wereld. Als je het goed bekijkt is alles werkelijkheid in de wereld, met de wereld erbij.
Of iets echt is gebeurd of ‘niet echt gebeurd’, dat is voor een schrijver volstrekt oninteressant. De werkelijkheid is zijn boek, zijn boek is de werkelijkheid. Elke keer als een schrijver iets verzint komt er meer werkelijkheid bij.
De tegenstelling tussen kunst en werkelijkheid is een valse tegenstelling. Kunst spookt ergens in de werkelijkheid rond.
Een boekendief wordt achternagezeten in een videogame en dat spel wordt gespeeld door de zoon van een boekhandelaar die een bijrol speelt in een roman die in de boekwinkel ligt als steun onder een wiebelende stoelpoot, waarop de schrijver van de roman zit te signeren, enzovoort. Droste-effect, telescoopeffect.
Wat kunst anders maakt is de interpretatie, de metamorfose, de transformatie. De inkleuring. Niet waar de schrijver tegenaan kijkt telt, maar hoe hij er tegenaan kijkt. Dat geldt voor het landschap, de dakgoot en het bloemetjespatroon op het behang, maar ook voor de echtscheiding, de baarmoederhalskanker en een dode geliefde.
Of een schrijver de werkelijkheid ‘van buiten zijn boek’ vervalst en verdraaid zijn boek binnensmokkelt is niet van belang.
Of de beschreven werkelijkheid samenvalt met de werkelijkheid die als voorbeeld heeft gediend doet er niet toe.
Of hij zich braafjes voordoet als een pleitbezorger van de waarheid en een eerlijkheidsvinder is totaal oninteressant. Welbeschouwd is zo’n braverik een nog completer leugenaar.
Wat ertoe doet is het wereldbeeld, de invalshoek, zienswijze, het standpunt. Een schrijver moet een speciale kijk op onze gedeelde wereld hebben, een kijk die nieuwsgierig maakt, fascineert, schokt, bevredigt, enzovoort.
In alle boeken – fictie of non-fictie – bevindt zich een beetje oningekleurde werkelijkheid en een beetje vertekende werkelijkheid. Soms is het aandeel van de leugen groter, soms het aandeel van de kopieerlust. Klutst u maar.
Elke schrijver herrangschikt de werkelijkheid, in hevige of minder hevige mate. Hij brengt een nieuwe hiërarchie aan, opvallend of minder opvallend. De schrijver componeert.
Allemaal niets aan de hand. Schrijvers doen dan ook altijd een beetje verveeld als ze de vraag te horen krijgen naar het ‘werkelijkheidsgehalte’. Terecht.
Wie is wie? Is het echt zo gebeurd? Is het werkelijk waar? Heb je dat zelf meegemaakt? Aan den lijve of in je nachtmerrie? Wat is uit de duim gezogen en wat niet? Gaap gaap.
Dat sommige wetenschappers dit interessant vinden en zich hier gretig op storten is begrijpelijk. ’t Is goedkope werkverschaffing. Research naar de biografische achtergronden, puzzelstukken in elkaar leggen.
Maar dat het de lézers zo blijft fascineren is op het eerste gezicht minder begrijpelijk. Waarom zouden lezers, als ze een echt gebeurd verhaal lezen, willen weten of het Echt Echt is gebeurd? Waarom trappen ze er blindelings in als een flaptekst ze persoonlijk leed belooft en authentiek doorstane belevenissen? Wie garandeert ze dat de uitgever niet liegt en dat de auteur vervolgens in alle interviews waarin hij aan de tand wordt gevoeld niet even vrolijk blijft doorliegen? Plechtig verklaren dat iets authentiek is gaat iemand net zo gemakkelijk af als eerlijk toegeven dat iets fake is. Je kunt alles liegen, ook de leugen.
Ik denk dat het zo zit. De lezers smullen niet zozeer van sommige vetarme en suikervrije literatuur omdat het beschrevene echt gebeurd zou zijn, ze constateren tevreden dat de schrijver dezelfde zienswijze heeft. Hij is dezelfde sukkel als zij. De schrijver biedt ze troost, herkenning (je hoort dat vaker), maar toch vooral het gevoel van solidariteit.
De lezers denken dat ze dankzij de therapeutische, laagdrempelige boeken de wereld begrijpen, maar in feite begrijpen ze alleen wat ze al hadden begrepen. Ze zien hun simpele kijk en hun saaie begrip gelegitimeerd. Hun drama’s, nietig in het oog van de wereld, zijn ineens drama’s die althans door één mens serieus worden genomen. Zo’n schrijver is meteen hun favoriete schrijver.
Of het drama is juist heel groot. Dood, ziekte. Moeder, kind. Lievelingspoedel dood. Dan is er ook een gevoel van solidariteit. Het gedeelde besef dat er zaken zijn waarmee je niet spot. Het verdriet wordt geheiligd, en leed op de troon gezet.
Er heeft zich veel sociaal werk in de literatuur genesteld.
Ook de platte werkelijkheid kan huiveringwekkend zijn – in de handen van een schrijver die zijn vak verstaat. Maar wie de platte werkelijkheid in een ander medium herhaalt, op papier of in een documentaire, is geen vakman, maar een herkauwer.
Onontbeerlijk in de kunst zijn transformatie, overdrijving, leugen. Suggestie en toneelspel zijn als hamer en beitel. Een echte schilder weet dat een paarse zon, mits goed geschilderd, oranjer kan stralen dan een oranje.
Uit het volle leven, uit het echte leven, uit het eigen leven, uit het allerintiemste leven. Alles naar waarheid opgetekend. Vertelt u maar. Het levert soms ook leuke boeken op. ‘Leuk’ is het passende woord hier. Het heeft niets te maken met kunst.
Misschien zijn de schrijvers te hoogmoedig geworden. Misschien hebben ze hun experimenten, hun hermetisme, hun verliefdheid op woorden als autonomie en modernisme te ver doorgedreven. Er is over de literatuur door wetenschappers wat afgetobd en veel recensenten en pionierende lezers raakten besmet. Het verhaal raakte in ongenade, het ik verbrokkelde. Verbrokkelde ikken, godnogaantoe! Dit alles kan hebben bijgedragen tot de hernieuwde behoefte aan echte mannetjes en authentieke vrouwtjes. Die nog iets hebben meegemaakt.
Voor het te laat is – ik pleit voor een terug naar een literatuur van mythen, leugens en verguldsel. Ik pleit voor een weg met het ziekenhuis-, wachtkamer- en vliegveldproza waarin een uitzichtloze werkelijkheid in een paar honderd pagina’s even uitzichtloos wordt herkauwd, als een soort Reader’s Digest van familieleed, medische communiqués en stil verdriet.
Ik pleit voor de schrijvers met een kosmos, een wereldbeeld, in plaats van een binnenhuisje. Ik pleit voor het uitreiken van de erepalm aan de schrijvers die het interessantst kunnen liegen.
Onechte billen zijn dikwijls gewoon mooier dan echte. Ik wil niet om de pagina met mijn neus op een dikke reet worden gedrukt.

Uitgesproken op het festival Winternachten, voor het programma Waar gebeurd