De Graafschap - Feyenoord, 1973. Feyenoord-speler Wim Rijsbergen in duel met Wim Meijers van De Graafschap ©  Ruud Hoff / ANP

Engeland speelde het beste voetbal, voetbal zoals het bedoeld is: onbevreesd naar voren, niks geen afwachten, niet terugzakken, niet op de counter. Naar voren, aanvallen. Frankrijk-Engeland was de beste wedstrijd van het toernooi (op de finale na) en de slechtste won. Oneerlijk. Pas in de finale ging Argentinië goed (en dus mooi) voetballen, eerlijk voetballen: niet op de counter, niet afwachten, ‘kein Geloel, Fussbal spielen’, zoals Ernst Happel het ooit zei, zo speelden ze. Daarvoor, in de eerdere wedstrijden, was hun spel niet om aan te zien. Eerlijk is eerlijk, ze wonnen verdiend. Eerlijk verdiend. Maar eerlijkheid is in voetbal, net als de werkelijkheid in literatuur, geen excuus. Haast nooit is iets eerlijk in voetbal. Van Dijk had de penalty moeten scoren, dat was pas eerlijk geweest. Ze hebben verdiend gewonnen, hoor je sommige trainers na afloop zeggen over een verloren wedstrijd. Verdiend winnen, dat klinkt verdacht veel als eerlijkheid. Verdiend winnen is iets wat alleen neutrale toeschouwers zeggen. Maar die bestaan helemaal niet.

Over oneerlijkheid gesproken. Ik herinner me dat er op een dag bij ons huis voor, in Nijmegen – denk de jaren 1958 tot 1960 –, een ventje speelde dat bijzonder goed voetbalde. Mijn broer en ik keken naar hem vanuit ons raam. Je kon bij ons voor in de Nimrodstraat op een grasveldje prima voetballen. Ik was toen veertien en voetbalde sinds mijn twaalfde bij Quick Nijmegen. Ik kon er aardig wat van, dacht ik, ik speelde in de spits en scoorde regelmatig. Op een dag kwam een oudere meneer naar mijn naam vragen, ik hoorde er verder niks meer over, maar weet het nog wel. Had ik bijzonder mooi gescoord?

Waarom was Wimke zoveel beter dan ik? Een kwestie van talent

Het was een klein ventje, hij dribbelde iedereen voorbij en schoot de bal dan tussen de neergelegde jassen. Ze speelden drie tegen drie, hij was de kleinste en de jongste, vroeg de bal, liep iedereen voorbij en scoorde dan. Niks aan. Bescheiden was hij ook, hij hoefde niks te zeggen, zijn twee medespelers schoven hem gewoon de bal toe. En dan was het snel voorbij. Mijn broer en ik keken er vanachter ons raam verbijsterd naar. Die kan pas voetballen. Hij heet Wimke, zei mijn broer en een paar dagen later kende hij ook zijn achternaam: Wimke Meijers. Volgens hem woonden zijn ouders vlak bij ons in de buurt. Ik denk dat ik het oneerlijk vond dat Wimke zo goed kon voetballen, een stuk beter dan ik, dat wist ik toen al haarscherp, je kon het gewoon zien. Balaanname, kijken, lopen, passeren, scoren. Maar eerlijk was het niet, hij wel en ik niet.

Een jaar later ging ik korfballen, daar was ik behoorlijk goed in, beter dan in voetbal, ik haalde destijds het Zuid-Gelders twaalftal en heb nog tegen Van der Pieterman gespeeld, die het Nederlands twaalftal haalde. Overigens woonde Frans Kellendonk drie huizen bij ons verderop, hij was een jaar of zeven jonger dan ik, hem heb ik nooit op het grasveldje zien voetballen. Keek ook hij vanuit zo’n zelfde raam naar dit wonderlijke voetballertje? Waarom ik dit erbij vertel, weet ik niet. Wie denkt dat ik dit alles uit mijn duim zuig adviseer ik op Google Wimke Meijers (later Wim Meijers) in te toetsen. Vermaard voetballer bij onder andere NEC, broer van Pauke Meijers die ik verschillende keren zag spelen en die het Nederlands elftal haalde. Oneerlijk allemaal.

Waarom was Wimke zoveel beter dan ik? Een kwestie van talent, hoor je vaak. Oneerlijk dus. De een heeft wel talent en de ander niet, hoe dat precies zit zeggen ze er dan niet bij. Aangeboren? Zoiets blijkbaar. De befaamde Nederlandse psycholoog A.D. de Groot (1914-2006) schreef in 1946 een proefschrift over het talent van schakers. Hij liet sterke en minder sterke schakers naar een stelling kijken en vroeg ze hardop hun besluitvorming over de volgende zet te formuleren. Daar maakte hij protocollen van en concludeerde dat de sterkste schakers niet meer talent hadden, maar sneller dan hun zwakkere collega’s tot inzicht kwamen. Ze doorzagen alles sneller. Dit had volgens hem niet te maken met ‘talent’, een begrip waar hij een enorme hekel aan had, maar met een grotere ervaring met het spel. Talent kwam voort uit ervaring. Zij kenden meer stellingen om op terug te vallen. Hier hou ik me aan vast. Wimke voetbalde gewoon veel vaker dan ik, we zagen hem letterlijk iedere dag op ons veldje voetballen, terwijl ik alleen op woensdagmiddag naar voetballen ging. Ik moest vaker dan Wimke huiswerk maken, daar zat het ’m in. Het was dus toch eerlijk. Veel later werd ik een succesvol schrijver.

In dit blog deed De Groene verslag van het WK in Qatar – verslag van mensenrechten, misstanden, het mediacircus en hier en daar over voetbal. Alle blogs zijn hier terug te lezen.