De verdwijning vond plaats tijdens de koffie, in de eerste week van het voorgeschreven isolement. Het ging niet geleidelijk, zoals ik het me had voorgesteld – dat er een gestage zwelling zou zijn, een blokkade of vochtophoping, dat het reukvermogen zich daarom langzaam en min of meer onopgemerkt terug zou trekken, als de zee bij eb. Maar zo was het niet. De verdwijning was even abrupt als volkomen. Ik nam een slok, gedachteloos, en het duurde misschien twee seconden tot ik me realiseerde: de koffie is weg. Ik keek naar de mok in mijn hand, naar de donkere, dampende inhoud, ik schommelde het oppervlak wat heen en weer, vlak onder mijn neus. Niets. Ik nam een voorzichtige slok, sloot mijn ogen, proefde uit alle macht maar moest tot de conclusie komen dat ik alleen de temperatuur nog kon beoordelen. De rest was verdwenen.

De man van de GGD, die ik kort na mijn positieve test aan de telefoon had gehad voor bron- en contactonderzoek, had me verteld dat hij er zelf ‘maandenlang’ last van had gehouden. ‘Maar sommige mensen merken er niets van, dus het kan nog alle kanten op.’ Op dat moment had ik mezelf, gezien de mildheid van mijn klachten, nog beschouwd als iemand die deze dans zou ontspringen, met dank aan mijn immuunsysteem en de firma Pfizer.

Ik zette mijn mok terug op de tafel, liep naar de fruitschaal en hing enige tijd zeer geconcentreerd boven een rijpe banaan. Ik opende de koektrommel, daarna een potje kruidnagel, het houten bakje met de nootmuskaatbollen, ik likte zoutkorrels van mijn hand, sloeg het oude Indonesische kookboek open dat altijd naar komijn ruikt, bladerde en snoof. Niets. Al zou je natuurlijk ook kunnen zeggen: ‘alles’. Een oneindig uitdijend beige.

In de dagen daarna deed ik, als een correspondent in den vreemde, geregeld verslag aan de dierbaren op afstand, de Ruikende Meerderheid die gebakken aardappeltjes met truffelmayonaise at en er niets van begreep. Dat het voelde alsof iemand mij gedeeltelijk had uitgezet, dat het verdwijnen zo nietsontziend was, dat ik het huis begon te missen, de geuren van de kinderen, de subtiele schakeringen van ruimtes en tijdstippen; shampoo, ochtendgloren, schone was, rode wijn. Ik stelde me, niet geheel gespeend van zelfmedelijden, voor dat er revalidatiecentra zouden verrijzen waar ik het verschil tussen hagelslag en muizenkeutels moest gaan aanleren, terwijl de rest van het gezin achteloos ruikend en proevend rond zou lopen. (Lieve God, nooit zal ik nog mopperen over vergeten fruit in schooltassen, puberdeodorant en vieze treintoiletten.)

Toen de dag kwam dat ik weer naar buiten mocht, zag de wereld er zeldzaam aanlokkelijk uit. De zon scheen overvloedig, de straten lagen bezaaid met het bladgoud van de dagen en bij de groenteboer lagen pompoenen hoog opgetast. ‘De geur van het najaar!’ stond op een reclamebord. ‘De smaak van de herfst!’ Goed bedoeld, vond ik. Maar de ondertiteling bracht niets anders teweeg dan een vage herinnering aan de volmaakte rijkdom van de zintuigen.

Een mens probeert eens iets te verzinnen

Mocht je opnieuw beginnen, je leert de schoolslag
wel weer. En de hagelslag. Vreemde ouders
meten je een verse voornaam aan. Je leert

hoelang gemijmer door een raam kan gaan.
Hoe hartstocht met een lichaam op te meten is.
Hoe gevoelloos ziekten zijn jegens menselijkheden.

Je leert langer dan uitzwaaien voor een raam te staan.
Leven vindt nooit net of zo plaats. En hooguit éénmaal.
Begin je toch opnieuw, vergeet dan dat je de vorige keer

niet genas. Neem je sproeten mee, je wandelvoeten,
de wiskundeknobbel. Je vindt de liefde weer.
Koopt een tweedehands bosatlas.

Arnoud Rigter
Uit: Het Liegend Konijn 2
2021, Uitgeverij Pelckmans