Onenigheid

De uitlatingen van Maxime Verhagen over het onbehagen in de Nederlandse samenleving leiden tot interessante discussies. Hopelijk worden de partijen het niet met elkaar eens.

TOEN IN DE KRANT stond dat de EHEC-bacterie, die in Duitsland al aan vele mensen het leven heeft gekost, hoogstwaarschijnlijk afkomstig is uit Egypte, schoot ik onwillekeurig in de lach. Uitgerekend als CDA-vice-premier Maxime Verhagen onder vuur ligt omdat hij in een lezing begrip toont voor Nederlanders die zich bezorgd afvragen of ‘die buitenlandse ziekte ook in onze groente zit’, komt de dodelijke bacterie mogelijk niet zomaar uit een buitenland, maar uit een buitenland waar veel moslims wonen. Maar ook humor ligt gevoelig.

Verhagen, de onofficiële leider van het CDA, hield vorige week een lezing op een mini-symposium over populisme, georganiseerd door Christen Democratische Verkenningen, het onafhankelijke kwartaaltijdschrift over christen-democratie. In zijn lezing somt Verhagen een hele trits zorgen van mensen op, in populistische bewoordingen, om dan de hand in eigen partijboezem te steken: 'Dit onbehagen is door de traditionele politieke partijen, ook door mijn eigen CDA, lang weggezet als een foutieve reactie op de snelle veranderingen in de wereld.’ Verhagen vindt de zorgen op zichzelf niet populistisch, maar wel 'de antwoorden van bepaalde leiders die er zelf beter van willen worden’. De PVV dus.

De kritiek op Verhagen was velerlei: hij had de zorgen niet terecht moeten noemen, ook had hij niet alleen moeten inzoomen op de zorgen van autochtone Nederlanders maar ook op die van nieuwkomers, hij had concretere oplossingen voor het wegnemen van het onbehagen moeten aandragen en hoe durfde uitgerekend deze man dit te zeggen, terwijl juist hij degene is die de gedoogconstructie met de PVV in zijn partij doorduwde zodat het CDA weer kon regeren.

Interessanter was de reactie van de Amsterdamse PVDA-wethouder Lodewijk Asscher. Die twitterde: 'Ik vind het een integer verhaal van @Maxime Verhagen.’ Wat hem overigens ook weer op veel kritiek kwam te staan: een politicus die integer zou zijn, en dan helemaal een politicus als de katholiek Verhagen. In een discussie over populisme en de daarbij horende vooroordelen is ook dat humor.

Een eerlijke PVDA'er moet erkennen dat waar het CDA mee worstelt ook de problemen zijn van de sociaal-democratie. Dat gaat dan niet alleen over het verlies aan zetels in de jongste peilingen, die voor beide dramatisch zijn, maar ook over de zoektocht van beide naar hoe ze oude, vertrouwde begrippen zoals rentmeesterschap (CDA) of solidariteit (PVDA) in deze tijd weer inhoud kunnen geven.

Beide partijen realiseren zich dat ze lange tijd de bestaansonzekerheid van de Nederlander van nu hebben weggewimpeld. Dat zijn ze zich echt niet pas sinds vorige week bewust, maar ze weten nog steeds niet hoe ze - ieder vanuit de eigen achtergrond - die onzekerheid weer kunnen ombuigen naar een houvast. Ze zijn beide zoekende: hoe weer vanuit de eigen ideologie te opereren en niet alleen maar met technocratische oplossingen te komen, zoals dat in de laatste decennia in zwang raakte. CDA én PVDA hebben allebei dezelfde vragen, vragen die de directeur van het wetenschappelijk bureau van de PVDA, Monika Sie, onlangs kort en krachtig zo omschreef: wat is van waarde, hoe staat dat onder druk en wat staat ons te doen?

Een eerlijk lid van de VVD, de derde traditionele middenpartij, zou overigens ook moeten erkennen dat zijn partij naar het antwoord op die vragen op zoek moet. Dat het in die partij echter stil is, heeft twee oorzaken. De VVD is nu de grootste en dan komt zo'n zoektocht en de daarbij horende, soms hoog oplopende, discussie minder goed uit. Bovendien heeft de VVD in de vorige regeerperiode vanuit de oppositiebankjes zich al een houding ten opzichte van het populisme aangemeten. Die is samen te vatten met wat oud-partijvoorzitter Ivo Opstelten, inmiddels minister van Veiligheid en Justitie, in Vrij Nederland zei: 'Belangrijker is wat de burger ervan vindt dan hoe het in werkelijkheid is. De bestuurder die dat niet doorheeft, is geen lang leven beschoren.’ Dat riekt naar het naar de mond praten van de burger, een gevaarlijke houding in een democratische rechtsstaat.

Zet daar tegenover wat Verhagen vorige week zei: 'Politiek moet meer zijn dan wat mensen zeggen en willen… Het CDA wil altijd rechtvaardigheid en zijn beginselen vooropstellen en niet de wil van de toevallige meerderheid.’ Natuurlijk zijn woorden geduldig en moet het blijken uit daden, maar het is opmerkelijk dat de woorden van Opstelten minder kritiek oogstten dan die van Verhagen.

Verhagens lezing was niet in de laatste plaats bedoeld voor gebruik in de eigen partij. Die lijdt onder de tweespalt over het regeren met gedoogsteun van de PVV en is druk op zoek naar zichzelf. De reactie van partijvoorzitter Ruth Peetoom op de toespraak van Verhagen sprak in dat opzicht boekdelen. Waar Verhagen de multiculturele samenleving als mislukt beschouwt, liet zij onmiddellijk weten de multiculturele samenleving als een gegeven te zien. Partij-optimisten zeiden sussend: is niet erg, laat ze maar met elkaar discussiëren.

Het zou interessant zijn om de dominee Peetoom te horen over Verhagens opmerking dat het CDA 'om te beginnen de joods-christelijke wortels van ons land en ons werelddeel’ moet erkennen en de partij 'het idee van Leitkultur’ weer moet oppoetsen. Een kleine tien jaar geleden ontstond in de Duitse zusterpartij, CDU, over ditzelfde onderwerp een felle discussie, en het leidde daar tot min of meer dezelfde reacties als hier nu: hoort de jodenvervolging dan ook bij die Leitkultur en de döner-kebab niet?

Wie zich heeft geërgerd aan de uitlatingen van de officieuze CDA-leider en het niet met hem eens is: lees het artikel van Monika Sie in het blad Socialisme & Democratie. Daarin schrijft ze, terecht, dat 'het van groot belang is dat politieke partijen (rivaliserende) normatieve vergezichten ontwikkelen’. We moeten het juist niet met elkaar eens worden.