Opheffer  

Ongeacht afkomst

Voor de afdeling ‘cultuur’ heeft men in het regeerakkoord drie regels ingeruimd. En als een soort cliché staat er dat er weer meer geld moet komen voor ‘jongeren en allochtonen’.
Dat is nu al een jaar of twaalf zo, vermoed ik. ‘Wat kan je daar nu op tegen hebben?’ vraagt iedereen. Ik heb er zeker wat op tegen. Het gaat uit van een vreemde cultuurbeschouwing. De vooronderstelling is dat jongeren en allochtonen te weinig kans krijgen op de kunstmarkt. Misschien is dat zo, dat weet ik niet. (Ik denk het niet, trouwens. Integendeel.) Maar de vraag is of de overheid die kansen moet vergroten. Moeten jongeren dat niet zelf doen, zonder steun van de overheid? Wat weerhoudt jongeren en allochtonen ervan om zelf ideeën te ontwikkelen? Geld accepteren van de overheid betekent tevens een verplichting hebben tegenover die overheid – je zult om aan dat geld te komen moeten voldoen aan zekere eisen die de overheid heeft opgesteld. Daar is op zichzelf niets tegen, al denk ik dat je voor een volwassen cultuur als kunstenaar eerder een attitude zou moeten ontwikkelen die op alle mogelijke manieren kritisch staat tegenover de overheid.

En dan de gesuggereerde tegenstelling jongeren-allochtonen. Ik weet niet beter dan dat de overheid tot doel zou moeten hebben om het begrip ‘allochtonen’ te laten verdwijnen: we zijn allemaal Nederlanders nietwaar? Maar nu brengt de overheid zelf dat onderscheid aan. Ik weet uit ervaring dat zo’n onderscheid iets neerbuigends heeft. Jaren geleden – en tegenwoordig ook, steeds meer trouwens – hield men ervan te thematiseren in de literatuur. Zo werd ik, naar aanleiding van de boeken die ik had geschreven en die niet zelden een Indische familie tot onderwerp hadden, altijd onderverdeeld bij de Indische literatoren. Steeds weer kreeg ik een uitnodiging om voor te lezen – gezellig met Adriaan van Dis – op Indische markten of op Indische avondjes waarop Tante Lien niet ontbrak, en altijd waren die ‘Indische literatorendagen’ in een reeks geprogrammeerd van ‘allochtone literatuur’. (‘En dan hebben we hier aanstaande donderdag een Marokkaanse avond, en vrijdag een Turkse avond waar ook u ook kunt proeven van de Turkse keuken die velen wel kennen van vakantie.’)

Na een paar keer had ik het wel gezien. Ik vond dat ‘wij’ (Indische auteurs) ons niet Indische auteurs moesten laten noemen, indachtig mijn vader, die eveneens iets had tegen de term Indische Nederlander of Indo. (Wat hij een afkorting vond voor: In Nederland Door Omstandigheden.) Maar Adriaan van Dis vond geloof ik het tegenovergestelde en hij was de beroemdste van ons en ik voelde ook wel aan dat hij het liefst in sarong en kabaay optrad of in een goed gesneden Knil-uniform. Hij ging ook altijd voorlezen met een Indisch accent, wat hij helemaal niet had waardoor ik me steevast begon te schamen. Het erge was dat die Indische avondjes altijd vol zaten, terwijl de weinige keren dat ik op eigen kracht in een bibliotheek in Enschede of Almelo mocht voorlezen de zaal amper gevuld was en ik het gevoel had een Pipo de Kinderclown te zijn terwijl de mensen gerekend hadden op een concert van het Concertgebouworkest.

Allochtonen, kortom, moeten zelf niet als allochtoon willen worden bestempeld – zeker niet als ze kunstenaar zijn – en ze dienen geen subsidie te accepteren; ze moeten op eigen benen leren staan, anders wordt het nooit wat. Ik heb ook nooit uit die gesubsidieerde hoek iets gezien wat meer dan de moeite waard was – maar goed, dat kan elk moment veranderen. Daar gaat het ook niet om. Je moet niet op het toneel staan, een boek schrijven, een film maken, noem maar op, omdat je allochtoon bent, maar omdat je iets wilt zeggen, omdat je kunstenaar bent, ongeacht je afkomst.

Bij die Indische avondjes zag ik voornamelijk Indische mensen zitten. De herkenning was groot en er werd dan ook veel gelachen. Ook om mij, gek genoeg. Maar toch – je schrijft juist voor de ander. Bij dat gesubsidieerde toneel van allochtonen zie ik ook altijd allochtonen in de zaal zitten. Dat is eigenlijk niet goed. Er moeten allochtonen en autochtonen in de zaal zitten, zoals het bij een gewone voorstelling ook gemengd hoort te zijn – dat is tenslotte je doel. Ik zou het dan ook een beter idee hebben gevonden interessante initiatieven te ondersteunen die voor iedereen van belang zijn dan alleen ‘allochtonen en jongeren’ subsidie te geven, hoewel ik die jongeren en die allochtonen het advies zou willen geven: pak wat je pakken kunt van de overheid, jongens!