Zebra draait om de reclassering. Twee maatschappelijk werkers staan centraal, van wie de vrouw (bijnaam Zebra) als routinier haar jongere collega Job inwerkt. Per aflevering een casus, doorspekt met flarden kantoor- en fragmenten privéleven. Vergeet bij ‘maatschappelijk werk’ de plooirok van de jaren vijftig of de geiteharen sok van zeventig. Terecht, want betreffende jongelui ‘van tegenwoordig’ onderscheiden zich uiterlijk niet van generatiegenoten - sterker, onderscheiden zich flink van elkaar, afhankelijk van subcultuur. In die zin valt de keus voor Zebra als kordate, laconieke, motorrijdende Einzelgänger te verdedigen. Niks softie: betrokken bij haar cliënt maar op overdréven begrip hoeft die niet te rekenen. Ze werkt niet routineus maar heeft veel al eerder gezien en meegemaakt - in tegenstelling tot Job, die nog wel eens als idealistische jonge hond de valkuilen opzoekt.
Toch wordt deze tegenstelling door de nuancering niet karikaturaal. Ze blijken aan elkaar gewaagd, en aardig is dat Job soms sterker de ‘vrouwelijke’ kant van het werk vertegenwoordigt dan Zebra. Tel daarbij de boeiende zaken die reclassering (ook) in petto heeft en weinig lijkt succes, bijvoorbeeld bij het Pleidooi-publiek, in de weg te staan. Maar het werkt kennelijk niet - ook niet in het oog van deze kijker. Deels zit dat in de behandeling van de casus. Het is waar dat de werkelijkheid (waaraan elke Zebra-zaak zijdelings is ontleend) onwaarschijnlijker is dan de stoutste fantasie - maar dan moet die in dramatische vorm wel een eigen geloofwaardigheid krijgen. Dat is zelden het geval. Of het gaat om de varkensboer die zijn grote liefde uit het bordeel haalt en, zich van geen kwaad bewust, via haar Zuid-Amerikaanse vriendinnen bij vrouwenhandel betrokken raakt; of om de jongen die namens zijn motorrijdende en daarbij invalide geraakte ouders wraak neemt op het automobilistendom, door als spookrijder angst en verderf te zaaien - het blijven bedachte constructies, door scenario en spel. Ze wekken mededogen, begrip noch woede; hooguit verbazing, maar van het foute soort. Bij hen vergeleken zijn de protagonisten mensen van vlees en bloed. En toch blijft ook daar afstand.
Zebra heeft iets ontheemds, haar motor is metafoor voor zowel ongebondenheid als rusteloosheid. Ze woont in een gruwelijk interieur omdat ze die woning nou eenmaal gemeubileerd kon krijgen. Ze heeft een geheim. Glimpen ervan worden aangeduid; ontraadseling zal heus wel komen. Maar ik ben niet nieuwsgierig. Terwijl Myranda Jongeling toch een goede actrice is. Het is als met ‘verveling’ in de kunst: hoe die te verbeelden zonder vervelend te worden? De keus voor een weerbarstige hoofdpersoon, Baantjer ver voorbij, is dapper. Het gevaar dreigt dan van ‘alles of niets’. Artistiek werd het ‘onvoldoende’, qua kijkcijfers ‘niets’. Jammer.

  • Voor de presentator met de meest zelfingenomen ‘kijk-mij-nou’-blik: Karel van de Graaf. AVRO, zaterdag, 20.31 uur, Nederland 1.