Ongedeerd

De vrouw op dit plein, het Koningsplein, liep op niet-overstekende wijze op het asfalt tussen vluchtheuvel en trottoir. Opeens zag bijna iedereen dat daar, midden op de rijweg, twee peren lagen. Nieuwe peren. Als je eenmaal die peren zag, merkte je ook op dat de vrouw een beetje vreemd hoedje op haar hoofd droeg en daaronder heel boos keek.

Met de punt van haar schoen probeerde ze een peer zachtjes naar de kant te rollen. Dat hij niet zou worden overreden en naar het perenziekenhuis gebracht. Maar peren rollen nooit zoals jij dat zou willen. Niet netjes één kant op. Ze proberen steeds weer steels op hun oude plaatsje terug te komen.
Dus gaf ze hem maar een klein schopje. Wel drie schopjes waren nodig voor hij tegen de trottoirband aan lag. Nu de tweede peer nog. Iedereen keek toe. De tweede peer was niet blij dat hij de tweede peer was. Hij kreeg een veel grotere schop dan de eerste, want de vrouw dreigde nu bijna zelf door aankomend verkeer opzij geveegd te worden. En dan wachtte haar het vrouwenziekenhuis.
Nu lagen er twee peren in de goot. Bijna ongedeerd. Alleen, niemand wilde ze nog hebben. Terwijl het toch mooie peren waren. Van een afstand leken ze van de soort Conférence, of anders wel Comice.
Dromerig liep ik naar huis terug. Met een uitschieter naar rechts, om een stuk Surinaamse bloedworst te kopen en een grote Belle van Boskoop. Om nu eindelijk eens vast te stellen of ik nu wel of niet jamboura kan maken.
In de kipbouillon peuterde ik mijn bloedworst klein. Pakte mijn Belle en schilde haar. Legde de appelparten in mijn soep. Verwarmde alles tot op zekere hoogte.
Zag toe en begreep. Want appel alleen is natuurlijk nooit genoeg. Ook dunne, zeer dunne ringen van prei kunnen wel eens gewenst zijn. Op het laatste ogenblik. In het bord en aan tafel.
En dan? Laat de blik afdalen tot zoutvatperspectief. Wacht één seconde, misschien twee, en je hoort het jezelf zeggen: ‘Verdomd, Monet!’