Ongefilterde schoonheid

Bij Sigrid Nunez gaat het in meerdere opzichten over het uitsterven van de witte man © Marion Ettlinger

Hersenwetenschappers en psychologen zijn er nog altijd niet over uit of het wel echt bestaat, maar in de literatuur zijn er talloze instanties van liefde op het eerste gezicht te vinden. Het bekendste voorbeeld komt ongetwijfeld uit Shakespeare’s Romeo and Juliet. Daarin is een enkele blik op de dochter van een rivaliserende familie genoeg om het wereldbeeld van de patriciërszoon op losse schroeven te zetten: ‘Did my heart love till now? forswear it, sight!/ For I ne’er saw true beauty till this night.’ De liefde die zij ervaren is volstrekt nieuw, nog onvergelijkbaar, en daardoor is hun uiteindelijke val ook zo ongekend hard.

Irma Maria Achten (1956) voegt met haar debuutroman Augustus een wel heel bizar geval toe aan deze reeks. Op een voorjaarsdag in 1986 ligt de zestienjarige David Stollens in een duikpak op de bodem van de Vecht ademhalingsoefeningen te doen wanneer er een auto het water inrijdt. Het voertuig komt zo dichtbij dat hij de inzittenden kan zien. Op de bijrijdersstoel ligt de bewusteloze Jan Willem Hogendorp, een kunstcriticus die bekend is van tv, achter het stuur zit zijn jongere Chileense vrouw Mercè. Nadat David het echtpaar met de hulp van een voorbijganger heeft gered, schrijft hij bij thuiskomst vier woorden op: ‘Ik heb haar gevonden’.

Het lijkt jeugdige overmoed, maar in dit verhaal blijkt het de waarheid te zijn. Ondanks een leeftijdsverschil van zo’n twintig jaar oefenen David en Mercè een overweldigende aantrekkingskracht op elkaar uit. Het begint met flirten als het geredde koppel op bezoek komt bij Davids ouders, er volgen liefdesbrieven, en wanneer Hogendorp en Mercè in augustus meegaan op een familievakantie naar Antibes sluiten de minnaars op het strand een verbond. Hun liefde breekt Mercè’s huwelijk op en vervreemdt David van zijn ouders. De twee vluchten achtereenvolgens naar Griekenland en Italië, waar ze ongestoord samen kunnen leven als vogelvrije, beeldschone bohémiens.

Bij thuiskomst schrijft hij vier woorden op: ‘Ik heb haar gevonden’

De verhouding van Mercè en David is primair lichamelijk. Onbeschroomd brengt Achten de koortsachtige geilheid van de geliefden in beeld: ‘Het groen was uit haar ogen verdwenen, wazig zwart waren ze. Haar lijf, volmaakt, glansde van het zweet. Ze had haar benen gespreid. Ik stapte uit bed, liep naar het voeteneind, hurkte, hield me vast aan de ijzeren spijlen en keek naar haar kut. Een luie muis die aan de oever van de rivier in slaap gevallen was. Ze trok haar knieën op, duwde van binnenuit haar vagina naar buiten en opende haar met haar vingers. “Als je nu niet in me komt,” zei ze, “vermoord ik je.”’

Met intens zintuiglijk proza evoceert de auteur een erotiek die totaal is: het allesverslindende verlangen duldt geen anderen, drukt de buitenwereld weg. Dat Achten zo sensueel over seksualiteit kan schrijven is indrukwekkend, maar dat zij dat zonder enige ironie doet, zich vol overtuiging inleeft in haar personages, maakt deze passages echt uitzonderlijk: weinig schrijvers slagen erin om lichamelijke ervaringen zo helder en indringend op te tekenen. De rest van Augustus is een verslag van het verloop van deze liefde. Omdat de vertelling losjes is opgezet, op het fragmentarische af, kan Achten in kort bestek een lange periode vastleggen: tussen de korte hoofdstukken, waarin losstaande scènes worden uitgewerkt, zitten soms sprongen van jaren. Razendsnel trekt het bestaan van David en Mercè voorbij: ze trouwen in Rome, kopen een huis, bezoeken het door Pinochet verwoeste Chili, waar ze zich verdiepen in Mercè’s getroebleerde familiegeschiedenis, en krijgen een dochter.

Achten schrijft bijzonder elegant: staat in dienst van het verhaal, nergens dwaalt de schrijver af of wordt de aandacht te zeer op de taal zelf gevestigd. Ook op emotioneel vlak is Augustus perfect gedoseerd: wanneer de eerst zo uitzinnige geliefden worden getroffen door het noodlot wordt daar zonder enige sentimentaliteit over geschreven. Daardoor is de confrontatie van David en Mercè met het verstrijken van de tijd, eindigheid en de dood weliswaar tragisch, maar toch geheel vrij van melodrama. Onder de gepolijste oppervlakte van het verhaal sluimert ook nog een vraag, waar de schrijver overigens geen sluitend antwoord op probeert te geven: in hoeverre kennen we het innerlijk leven van een ander? Aan de hand van perspectiefwisselingen wordt het probleem nogmaals belicht: David krijgt maar beperkt zicht op het traumatische verleden van zijn vrouw, en omgedraaid zijn Mercè’s gedachten vaak niet in overeenstemming met het geïdealiseerde beeld dat haar minnaar van haar heeft.

‘Zonder het te benoemen wisten we allebei dat dit een van die zonderlinge avonden was waarop al onze zintuigen gewassen leken en het leven zijn schoonheid ongefilterd in ons kon gieten’, denkt David. Als er iets is wat Augustus typeert, dan is het wel een grote hoeveelheid alledaagse schoonheid. Alle sensaties en details zijn zo levensecht beschreven dat het lijkt alsof Achten een puntgave realistische roman heeft geschreven. Maar eerder heeft ze vakkundig alle schoonheid uit twee gefingeerde mensenlevens gepuurd, en het geheel vervolgens sterk geconcentreerd. Augustus dompelt je onder in deze geïntensiveerde, hyperesthetische variant van het leven zelf, waarin geluk en extase niet door het banale worden afgezwakt. Zo krijgen ook de zintuigen van de lezer een flinke wasbeurt, waarna de rauwe pracht van de wereld voor uren en zelfs dagen weer als nieuw kan binnenkomen.