Erwin Mortier: Sluitertijd

Ongegeneerde clichés

Erwin Mortier

Sluitertijd

Uitg. Cossee, 188 blz., € 18,90

In Sluitertijd verplaatst Erwin Mortier de camera naar Vlaanderen in de jaren vijftig. De vader van de jonge held is vroeg gestorven, zijn moeder is tijdelijk uit het zicht verdwenen en hij wordt min of meer liefdevol opgenomen in het gezin van de tweelingbroer van zijn vader. Het jongetje Joris Alderweireldt is onnozel, stil, verlegen en weet zich in de wereld van de volwassenen nauwelijks een weg te vinden. Hij maakt mee en observeert, zo lijkt het. Mortier gebruikt in dit boek een bekende vertelprocedure: een terugblik van de held op oudere leeftijd. «Er zijn nog foto’s uit die tijd, ik ben er blond en draag sandaaltjes», zo begint het.

Dit terugblikvertelsysteem geeft hem de gelegenheid een spel met de lezer te spelen en dat speelt hij met volle kracht. Hij probeert de vertedering voor zijn jonge held nog te vergroten door ons meer te laten weten dan de held zelf. Joris snapt bijvoorbeeld niet wat men bedoelt wanneer men hem vraagt of hij nog maagd is, hij heeft ook niet door dat oom en tante iedere zondag na het middageten een nummertje maken, beschrijft alleen dat hij rare geluiden van boven hoort. Wij weten natuurlijk beter omdat de verteller beter weet. Mortier wil op deze manier niet alleen een komisch effect bereiken, maar ook de onnozelheid van de held nog scherper in het licht zetten, opdat wij ons nog meer bij hem betrokken kunnen voelen.

Er is meer dat Mortiers roman een sterk ironische ondertoon geeft. Hij beschrijft het dorpse Vlaanderen van de jaren vijftig doodgemoedereerd als een soort Swiebertjeland waarin alle clichés uit de mindere streek romans figureren. Er is de leuke oom, de onvermijdelijke pastoor die grapjes maakt over dat gedoe allemaal in de kerk, de processie die misgaat, er zijn de domme dorpsjongetjes en de achterlijke dorpsbewoners. Dan is er ook de nare, arrogante dorpsonderwijzer die, zoals dat gebruikelijk is in clichéliteratuur, onze verfijnde jonge held sterk dwarszit en met wie het natuurlijk niet goed afloopt. Mortier doet zelfs zijn uiterste best alle bekende streekromannenprietpraat rondom dorpsadel voor het voetlicht te krijgen. Men praat in die kringen Frans, wat op zich dus al verkeerd is, heeft het hoog in de bol — wie had dat gedacht — en er is ook een schandelijk adellijk meisje. Veldwachter Bromsnor ontbreekt, dat valt dan nog mee.

Het dieptepunt in deze clichéromanne tjesweergave van de wereld is de snijdende beschrijving van de ongetrouwde juffrouw uit het dorp die met een citroen wordt vergeleken, die «leegte hamsterde», zoals de jonge held constateert en die zich voorzien had van «een eeuwig knagende honger als een zelfkastijding van het meest verfijnde soort». Mortier gaat hier onvoorwaardelijk in zee met wat er eeuwenlang aan beeldvorming over ongetrouwde vrouwen binnen het rooms katholicisme te berde is gebracht. Wie ongetrouwd is, is leeg, is als een citroen, is onvruchtbaar, is fout. Er is geen sprake van dat de oudere terugblikkende Joris afstand neemt van dit soort beelden.

Erwin Mortier kan goed schrijven, maar daarmee krijg je nog geen goeie, laat staan een grote roman. Zijn beeldspraakrepertoire is beperkt, hij hanteert hoofdzakelijk de personificatie, alleen al de eerste pagina is erdoor overwoekerd. Daar lijken zomers trager dan ze waren, hangt verwondering roerloos in de lucht, dammen de bomenrijen het teveel aan hemel af en ziet men regelmaat in de meanderende armen van de bomen. Hiermee probeert hij uiteraard de wereld die hij beschrijft tot leven te brengen, maar hij komt niet verder dan de beschrijving van een allang bekende wereld, niet eentje waar wij verbaasd van opkijken, laat staan dat we er kwaad om worden of er onze hoed voor afnemen. Zijn stijl zoekt het in de dreun, niet in afwisseling van toon, de beschrijvingen van interieurs vallen steeds meer samen.

De in de grond ironische enscenering en de grapjes verliezen steeds meer aan inhoud omdat Mortier niet in staat is een gewaagde visie op een leven neer te zetten, laat staan op een gemeenschap, een visie dus die aangrijpend is en tegelijk ingrijpt in wat we er al over meenden te weten. Hij opereert met schema’s — die van het lelijke eendje dat een zwaan wordt en de tegenstelling stad-platteland —, niet met beelden of een visie, laat staan dat hij zijn eigen opvatting ter discussie stelt of kwetsbaar maakt. Hij weet alles al. Wat een verschil met de wereld die Hugo Claus in Het verdriet van België oproept. Om over Proust maar te zwijgen.

De nostalgie in Mortiers roman slaat om in rancune omdat de jonge held en de held op latere leeftijd zich altijd boven de hen omringende gemeenschap verheven weten, hoe sentimenteel ze er ook over zijn. Alles is al van tevoren doorzien in deze roman wereld, Mortier heeft dit werk van iedere raadselachtigheid of obsessie ontdaan. Wat rest zijn sentimentele gevoelens, hooghartige vertedering en ongegeneerde clichés over mensen en een samenleving die voorbij zijn gegaan.