© Foto’s Amazon Prime

Een schip met mottige jongemannen in groezelig legertenue, ze verheugen zich op hun thuiskomst. Ze worden verwelkomd door bootjes met boze mensen, op spandoeken staat ‘nazi’s’, ‘kindermoordenaars’ en ‘Indië moet vrij’. Een van de jongemannen wordt bekogeld met bloed of rode verf. De titel van de film verschijnt in beeld, rood op zwart, de letters hebben iets Duits.

Dan een stap terug in de tijd. De bekogelde jongen genaamd Johan de Vries, blond haar en blauwe ogen, is nu gekapt en geschoren. Hij arriveert in een hem onbekend en zonnig land, in een geordend militair apparaat dat hem de juiste kleding verschaft en hem nieuwe vrienden biedt, onder wie een joodse jongen, Mattias Cohen.

Setting, kleding, de vermelding van Indië: dit moet zich tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog afspelen. Het is verder niet zichtbaar, maar blijkbaar is het Indonesische volk na de Japanse bezetting in opstand gekomen tegen de Nederlandse koloniale macht, een hoge officier zweept Johan en zijn strijdmakkers op met verhalen over ‘de terrorist’ Soekarno, daarna beelden van getroffen en lijdende Indonesiërs, van een brand op een sawa. Met een licht gepijnigde blik neemt Johan de Vries alles in zich op. Meer dan de anderen lijkt hij geïnteresseerd in zijn nieuwe omgeving, hij leert zichzelf Indonesisch, probeert het inheemse eten. Wanneer zijn maten in een bordeel achteloos hun gezelschap aanwijzen, wordt Johan door meer dan bier en lust gedreven: hij kiest de knapste prostituee, een gelukkige hand, deze vrouw met de naam Gita zal deze film zijn minnares zijn.

De sfeer in de eerste drie kwartier is landerig, er wordt geouwehoerd, gezwommen, regelmatig nogal expliciet georeerd, bier gedronken, de vijand weigert zich vooralsnog bij de Nederlandse troepen te melden. De rust verveelt Johan: ‘Ik ben hier niet gekomen om rondjes te lopen.’ Het meest opwindend is een ontmoeting met een charismatische officier, bijnaam De Turk, die met getrokken pistool een belaagde Indonesiër ontzet van een groepje achtergebleven arrogante Japanners.

Dan, op drie kwartier, een schot, onduidelijk van wie of waarvandaan, dat Johans meest opgewekte kameraad dodelijk treft, een voorval dat er uiteindelijk voor zorgt dat Johan en De Turk elkaar dichter zullen naderen. De Turk – op de titelrol heet hij ‘Raymond Westerling’ – vraagt Johan hem te helpen bij het martelen van een langharige Indonesiër die ervan wordt verdacht het dodelijke schot te hebben gelost. Johan kwijt zich voortvarend van zijn taak, hij wil duidelijk indruk op De Turk maken. Wanneer De Turk Johan daarna bij een clandestiene reddingsoperatie betrekt, weer zijn bedreigde Indonesiërs de hulpbehoevende partij, blijkt de knaap, die pas een enkele gevechtssituatie heeft meegemaakt, een doeltreffende commando. Johans onverschrokken optreden bestendigt de relatie, De Turk doopt hem (letterlijk, in zee), schenkt hem een revolver.

Marwan Kenzari als De Turk (Raymond Westerling) © Foto’s Amazon Prime

De Turk als vaderfiguur dus. Johans echte vader blijkt een beruchte en gevangen gezette nsb’er, een gebroken man die moet huilen wanneer zijn zoon hem meedeelt dat zijn vrouw al drie dagen dood is. Deze ‘schuldige’ achtergrond is Johans geheim, de reden voor zijn zwijgzaamheid soms, voor zijn dadendrang, zijn revanchistische neigingen. De Turk weet van deze voorgeschiedenis, maar zal deze kennis pas onthullen wanneer het voor Johan verder geen kwaad meer kan.

‘Wat jij de komende tijd zal aanschouwen, Johan, is top secret.’ Op zuidelijk Celebes blijken weinig gespecificeerde terroristen actief en met zijn status als militair breekijzer mag De Turk een speciale eenheid leiden om daar de orde te herstellen. Die orde blijkt chaotisch noch gewelddadig, toch schijnt er al zeer ingrijpend inlichtingenwerk te zijn verricht, want De Turk bezit een notitieboekje met nagenoeg alle namen van alle mannelijke dorpelingen. Gezeten aan een tafeltje noemt De Turk één voor één hun namen en wie zich meldt schiet hij vanaf een indrukwekkende afstand door het hoofd.

Deze gang van zaken bevalt Johan opeens niet meer, in tegenstelling tot bijvoorbeeld zijn joodse kompaan die na een teer begin zijn gewelddadige roeping lijkt te hebben gevonden. Niet helemaal duidelijk wordt hoe na alle eerdere eigenhandige marteling en moord deze change of heart heeft kunnen ontstaan, maar Johan is nu tegen De Turk, wat hem al gauw fataal lijkt te worden. Maar De Turk is de kwaadste niet en geeft Johan een voorsprong, een kans om te ontsnappen. Johans commandotalent lijkt alleen maar gegroeid en zonder veel moeite weet hij in het nachtelijke oerwoud enkele achtervolgers te doden. Uiteindelijk schiet De Turk zijn voormalige beschermeling neer: ‘Nou, nou, nou, soldaat, stel je niet zo aan, het is maar een vleeswond.’

Jim Taihuttu maakte een film over oorlogs-misdaden zonder grip op politiek of morele vragen

Weer in Nederland na de oorlog ontdekt Johan De Turk als operazanger op het podium van een schouwburg – en zint op wraak.

Feitelijk naverteld is De Oost, met zijn afgewerkte plot, zijn statische en belachelijke dialogen, met alle versleten sjablonen van zijn personages, zijn gemakzuchtige racisme en nog gemakzuchtiger misogynie, weinig meer dan een formulefilm, een van die potboilers waar bijvoorbeeld een productiemaatschappij als Cannon Films in de hoogtijdagen van de videocassette in grossierde. Vooral in de jaren tachtig produceerden de dekselse Menahem Golan en Yoram Globus de ene na de andere scherp geprijsde knaller voor de hongerige planken van de videotheken, bescheiden genreklassiekers als Enter the Ninja (1981, waarin de beroemde Japanse krijger de Amerikaanse populaire cultuur betreedt), Missing in Action (1984, Chuck Norris terug in de hel van Vietnam), Over the Top (1987, Sylvester Stallone en armworstelen) en Bloodsport (1988, de doorbraak van Jean-Claude Van Damme), maar ook Operation Thunderbolt (1977), een film gebaseerd op de waargebeurde bestorming door Israëlische commando’s van een gekaapt vliegtuig in het Oegandese Entebbe.

In een recent interview in Het Parool doet regisseur van De Oost Jim Taihuttu, die het scenario voor de film samen met Mustafa Duygulu schreef, niet geheimzinnig over zijn artistieke voorkeuren en ambities: ‘Ik hou van genrefilms. (…) Ik hou van die structuren, ik vind dat vet. Dus het is absoluut een film in de lijn van de klassieke Vietnamfilm.’

Nu loopt de Vietnamfilm in stemming en stijl ruwweg van John Wayne’s ultranationalistische The Green Berets (1968) tot Spike Lee’s rommelige Da 5 Bloods (2020).

De mal die De Oost het meest lijkt te willen innemen is die van Platoon (1986), Oliver Stone’s coming of age-drama in de Vietnamese jungle dat vier Oscars won. Een zinloze oorlog moet van een jonge Charlie Sheen een man maken, waarbij twee charismatische oudere krijgers zijn ziel ieder een andere kant op verleiden. Platoon is slecht oud geworden; wat voor een smaldeel Amerikanen voor zinloos moest doorgaan, bleek levensbepalend voor alle Vietnamezen, de mentale ontwikkeling van de hoofdpersoon, zijn worsteling en inzicht, worden over de rug van de vijand nagejaagd, al het melodramatische gehengel naar sympathie voor het Amerikaanse perspectief wint elk jaar aan minachting.

Voor Taihuttu heeft de tijd stilgestaan, omdat hij vooral begeesterd lijkt door de oppervlakkige aspecten van zijn inspiratiebronnen. Artistiek heeft hij met De Oost de doodlopende lijn doorgezet die van voorganger Wolf (2013) ook al zo’n frustrerend vluchtig gebeuren maakte. Taihuttu zet in op decor, niet op levende wereld, op charisma zonder karakterontwikkeling, statements moeten dialogen voorstellen en ongegrond geweld verwart hij met gravitas. Zo slaagt hij erin een film te draaien over de Onafhankelijkheidsoorlog zonder interesse voor Indonesiërs, over oorlogsmisdaden zonder grip op politiek of morele vragen.

Martijn Lakemeier als Johan de Vries © Foto’s Amazon Prime

Ook in Indonesië vindt er cinematografische verwerking van de Onafhankelijkheidsoorlog plaats. In 2012, op tv in een hotel in Semarang, zag ik ooit het laatste uur van MerahPutih (2009, regie: Yadi Sugandi). Een groepje jonge Indonesische kadetten raakt na hun basistraining verzeild in heroïsche guerrillagevechten tegen het Nederlandse leger. Ik moet bekennen dat ik toen schrok van het wilde afslachten van Nederlandse soldaten in die film.

Een klein decennium later is van die verontwaardiging weinig over, laatst heb ik de film, deel 1 van de zogenaamde Vrijheidstrilogie, eindelijk van begin tot eind bekeken en het was vooral de beklemmende oppervlakkigheid die me overviel. Net als bij De Oost was ik getuige van een pijnlijk staaltje Hollywoodje spelen. Dit ronkt de dvd-hoes: ‘Met een budget dat kan tippen aan een Hollywoodproductie kan de spektakelfilm ook op technisch vlak beschikken over creatief talent uit kaskrakers als Saving Private Ryan, Mission Impossible II, Batman: The Dark Knight en The Matrix.’ Toe maar. Het budget van De Oost schijnt overigens 6,6 miljoen euro te zijn geweest.

Historische films zijn duur en hoe duurder een film, hoe meer de kwade reuk van het comité rond een film kan gaan hangen en ambities kunnen uitdoven. Maar toch, cinema, met zijn vermogen tot ambiguïteit, tot meerstemmigheid en onverwachte associaties lijkt een meer dan passend medium voor verhalen van historische aard. Hoe lang zal het na een misgreep als De Oost duren voordat andere filmmakers de kans krijgen een origineler en dwingender perspectief op de Nederlandse koloniale tijd los te laten? Zodra een film uitkomt wordt hij onmiddellijk deel van de geschiedenis, niet alleen als narratief, maar ook als uiting. De Oost zal bij de periode gaan horen die hem heeft voortgebracht: de Rutte-jaren, de crisisjaren, de waan- en vermaakjaren. De roekeloze en reactionaire jaren.

De Oost is nu te zien opAmazon