Ongehoord achteloos

Ryszard Kapuscinski, De voetbaloorlog. Uitg. De Arbeiderspers, 1991, 253 blz., 316,90. Verkrijgbaar bij De Slegte.
Er zijn redelijk wat boeken vertaald van de Poolse journalist Ryszard Kapuscinski. Het meest bekend werd zijn strakke, roman-achtige compositie De Keizer, over Haile Selassie. Maar ik vind niet dat het in deze overzichtelijke, sobere stijl was dat hij het meest excelleerde. Dat gebeurt eerder als hij zo ongehoord achteloos durft te zijn.

In een recenter boek, Imperium, over de ondergang van het Russische rijk, laat Kapuscinski zich gaan in geniale detailbeschrijving en sfeer. Losvast worden gedachtenflarden tussen een bizarre rijkdom aan anekdotes geplaatst. De hopeloze ondergangssfeer wordt niet alleen zichtbaar, maar Kapuscinski toont ook hoeveel tinten zwart er geschilderd kunnen worden. En brengt het en passant tot een totaalbeeld. Kapuscinski maakt hier niet nadrukkelijk structuur, maar laat deze uit de gebeurtenissen omhoog wellen. Zo ontstaat, ja dat klinkt bombastisch, literatuur, geen journalistiek. Toch lijdt hij nooit aan de journalistenziekte van het ‘op-literaturen’.
Het wer[kt vooral als hij een concreet onderwerp heeft. Ook de Angolese bevrijdingsoorlog van 1975 bracht hem bij vlagen (een onverwachte tocht met een vrachtwagen door vijandelijk gebied) tot poëtische verslaggeving in Nog een dag. Maar de vormeloosheid van die oorlog leek hem toch parten te spelen. Vaak vond ik het ronduit saai.
Wat Kapuscinski in het boek De voetbaloorlog trachtte te doen, laat zich zeer lastig omschrijven. De uitgever heeft het op de flaptekst over een keuze uit de reportages, maar het werd me al lezende duidelijk dat Kapuscinski een veel ambitieuzer grondplan in gedachten had. Hij heeft het tussendoor in de hoofdstuktitels over 'het concept voor een boek’, en zelfs voor een tweede boek, laat een losse opmerking na een terloopse ritmische herhaling ineens uitgroeien tot het epos van een onbetekenende oorlog in Midden-Amerika - dat soort vormgrappen. Over Algerije en Zuid-Afrika schrijft hij dan weer, ongewoon voor hem, een afstandelijke samenvatting die de andere teksten, voornamelijk over Afrikaanse oorlogen, nog doorleefder maakt. Ik weet niet goed wat ik van dit boek moet denken. Soms is het me domweg te gezocht postmodern. Daar staat echter tegenover dat bijvoorbeeld schetsen uit het Congo uit de tijd van de moord op Lumumba en de opkomst van Mobutu (gek om dat juist nu te lezen) van een oorverdovende schoonheid zijn en bovendien nog eens adembenemend spannend. Want Kapuscinski zat er al te vaak erg middenin.