Commentaar: China

Ongehoorde vrijheid

Vorige week heb ik een ongehoorde bijeenkomst bijgewoond. Ondanks het heikele onderwerp — immigratie — en het optreden van een paar vips — de president van de centrale bank en een hooggeleerde migratie-expert — stond aan de ingang geen politie. De sprekers hadden hun gezicht niet voortdurend in de plooi en zaten niet eens achter een groene tafel. Ze waren het geregeld met elkaar oneens. Sterker nog, vanuit de zaal kwamen kritische vragen. En toch vond iedereen het heel gewoon. Allicht, want zo gaat dat in de openbare debatbijeenkomsten in de Amsterdamse Balie, en ik ben het confucianistisch-communistische China gewend.

Chinezen vinden dat ze veel meer vrijheid hebben dan vroeger. Ze mogen het zelfs met de autoriteiten oneens zijn, mits ze dat niet aan de grote klok hangen. Buiten de besloten kring wordt niet gedebatteerd, want dat is in strijd met het eenrichtingsverkeer tussen regeerders en geregeerden. Ik heb in China één keer een openbaar debat meegemaakt, maar er deed geen Chinees aan mee. Het ging dan ook niet over China maar, ter gelegenheid van een bezoek van Jan Pronk, over de verloedering van de Nederlandse politiek. Even stond De Balie in Peking.

China verandert razendsnel, maar niet zijn politieke cultuur. Een openbare vergadering waarin partij- of regeringsautoriteiten optreden, is een exercitie in confucianistisch ceremonieel. In het rituele taalgebruik met zijn vaste formules en obligate hommages aan de hoogste leiders herleeft de keizertijd. De zaal maakt aantekeningen van de voorspelbare toespraken, applaudisseert en vraagt hooguit beleefd om toelichting, want iedereen is het per definitie altijd met iedereen eens.

Stel dat in China het vrije woord had bestaan. Dan hadden de mensen zonder angst voor represailles de nonsens over sars kunnen doorprikken. Dan hadden de media niet een half jaar lang gezwegen of, de gevangenschap van 39 journalisten indachtig, de officiële sars-leugens als waarheid gepresenteerd. Dan was misschien binnen het regime iemand opgestaan die de kat de bel had aangebonden. En dan hadden er wereldwijd niet tweehonderd mensen gedood en vierduizend besmet hoeven te worden voordat de hoogste leiders hun Pavlov-reactie van geheimhouding en bagatellisering hadden gecorrigeerd.

Vrijheid van meningsuiting is als de democratie zelf: je merkt pas hoe essentieel ze is als je haar mist. Daarom heb ik zo genoten van dat Balie-debat. De aanleiding — de verschijning van een indrukwekkend fotoboek van Ad van Denderen over de «opvang» van migranten in Fort Europa — was belangrijk.

Dat daarover vrijuit kon worden gedebatteerd, vond ik ongehoord.