Ongekend

De tijd van zoeken naar politieke consensus zoals in de eerste coronacrisismaanden is duidelijk voorbij.

Het klinkt als een filmtitel: The Great Lockdown. Wat mij betreft een film met een scenario van de regisseur van de Zuid-Koreaanse film Parasite die besluit samen te werken met zijn Britse collega van Sorry We Missed You en voor de hoofdrol de Amerikaanse acteur Joaquin Phoenix uit Joker benadert. Voorlopig is The Great Lockdown echter geen film, maar de officiële naam voor de harde werkelijkheid, de economische recessie als gevolg van de coronapandemie.

Het Internationaal Monetair Fonds (imf) kwam vorige maand met die officiële titel. Na de Grote Depressie in de jaren dertig van de vorige eeuw en de Grote Recessie als gevolg van de bankencrisis eerder deze eeuw, was de huidige recessie in april al ernstig genoeg om een eigen naam te krijgen.

De hoofdeconoom van het imf, Gita Gopinath, had het dan ook over een grimmige realiteit. Wanneer de economie zich zal herstellen? Daar stelt het imf tal van vragen bij, vragen waarop het zelf geen antwoord heeft. Want hoe zal dat herstel zijn nu vele productieketens wereldwijd zijn verstoord, bedrijven omvallen, de werkloosheid oploopt, consumenten angstig zijn om te gaan winkelen en minder te besteden hebben, en er bovendien geen zicht is op de duur van de coronabeperkingen en het eventueel weer opvlammen van het virus bij versoepelingen.

Eigenlijk varen economen nu net als politici op zicht door dichte mist. Hun vertrouwde kompas is nu niet bruikbaar. Alles waar economen normaliter naar kijken is van slag. Terwijl economen eigenlijk alleen modellen met voorspellingen kunnen maken als alles ongeveer hetzelfde blijft.

Dat maakt het voor politici weer ingewikkeld om maatregelen te nemen. Zij varen immers vaak op de voorspellingen van economen. Toen cda-minister van Financiën Wopke Hoekstra in het begin van de crisis sprak over diepe zakken, noodpakketten en alles op alles zetten om werkgelegenheid te behouden, was dat nog in de tijd dat kabinet, Tweede Kamer én samenleving dachten dat we even op onze tanden moesten bijten en daarna terug konden naar pre-coronatijden.

Maar toen D66-minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Wouter Koolmees, twee weken geleden zei dat er mensen zijn die hun baan zullen verliezen, leek dat inmiddels al geen zwartkijkerij meer. Je zou het zelfs verwachtingsmanagement kunnen noemen. Maar niet iedereen nam dat Koolmees in dank af. Hoe kan een minister nou zo’n doemdenk-uitspraak doen?

Welke bedrijven hebben toegevoegde waarde?

Deze week komt het kabinet met een tweede noodpakket aan steunmaatregelen voor het bedrijfsleven. Het eerste steunpakket gold voor de maanden maart, april, mei. Vooruitlopend op dat tweede noodpakket deed Koolmees zijn uitspraak. En eveneens vooruitlopend op de presentatie van dat pakket reageerde pvda-leider Lodewijk Asscher daarop in de Volkskrant. Met een eis aan het kabinet: noodsteun? Dan niemand eruit, anders steunt de pvda dat pakket niet! De tijd van zoeken naar politieke consensus zoals in de eerste coronacrisismaanden is duidelijk voorbij.

Op de weliswaar nog steeds niet drukke wandelgang van de Tweede Kamer was er zowel vanuit coalitiepartijen als collega-oppositiepartijen verbazing over en kritiek op Asscher. Zijn eis werd als ouderwets-pvda en onrealistisch betiteld. Niet alle banen kunnen behouden blijven, ook niet met noodsteun. Asscher zou aan verkiezingsretoriek doen. Nog slechts tien maanden te gaan immers tot de Kamerverkiezingen.

Ook D66-fractievoorzitter en kandidaat-partijleider Rob Jetten greep vorige week de coronacrisis en de komende verkiezingen aan om te pleiten voor een klassiek D66-standpunt: de verdere eenwording van de Europese Unie. Als coalitiepartner nam hij daarmee afstand van het regeerakkoord en zette zo ook het kabinet onder druk.

De meeste aanvragen voor steun bij het doorbetalen van personeel kwamen de eerste drie maanden vanuit de horeca. Niet alle koffiebarretjes of eettentjes zullen de crisis echter kunnen overleven, ook niet na de versoepeling. En sommige zullen in de anderhalvemetersamenleving hun hoofd slechts moeizaam boven water kunnen houden met een deel van het personeel. Bedoelt Asscher dat er voor die laatste bedrijven dan totaal geen noodsteun meer mag zijn? Dat het alles of niks is? En wat te denken van de toeristische sector. Niet alleen deze zomer zal het reisgedrag minder en anders zijn, mogelijk wijzigt zich dat in de toekomst structureel, zowel van vakantiegangers als van zakelijke reizigers. Dat kan blijvende gevolgen hebben voor reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen zoals klm. Die bedrijven zullen flink moeten herstructureren. Mag er van Asscher dan niemand uit als er noodsteun voor personeelskosten is ontvangen?

Dat was de suggestie die Asscher had gewekt. Iets anders is het als de pvda bij het tweede noodpakket eisen stelt aan eventuele herstructureringen bij met name grote bedrijven. Mensen ontslaan? Dan alleen in overleg met de vakbonden, met als voorwaarde dat het ontslagen personeel zo veel mogelijk van werk naar werk wordt begeleid. De crisis mag niet ontaarden in een vrijbrief voor grote werkgevers om lukraak met ontslagen te strooien. En helemaal niet als ze aan het beademingsinfuus van de overheid hebben gehangen.

Ooit zullen die steunmaatregelen stoppen. Er zullen dan politieke keuzes moeten worden gemaakt. Welke bedrijven zijn levensvatbaar en hebben toegevoegde waarde? Welke willen we in de lucht houden, letterlijk en figuurlijk? Hoeveel geld heeft de overheid daarvoor over? Waar moet dat geld vandaan komen? Pikken de belastingbetalers dat? Dat politieke partijen daar verschillend over denken, klinkt als een open deur. Ware het niet dat het keuzes zijn in de ongekende tijden van The Great Lockdown. Dat vraagt om meer dan de oude politieke reflexen.