Ongeletterd en verlegen

Hoe weet ik of mijn kat lijdt?
Hij eet of drinkt in ieder geval al een tijdje niet meer. Midden in de kamer ligt hij te liggen.
Ik bel m'n werkster op. Een briefje voor haar neerleggen heeft geen zin, want ze kan niet lezen.
‘Stofzuig deze week maar niet’, zeg ik.
‘Waarom niet?’ vraagt ze.
Ik voel me nogal debiel als ik zeg dat de kat ziek is.
‘Ik wil niet dat er lawaai om hem heen is’, zeg ik.
‘Mag ik wel in de keuken dweilen?’

Ik schaam me dood, over van alles. Over het feit dat ik een werkster heb, dat zij niet kan lezen of schrijven, dat ik haar man niet vertrouw, dat ik de hele dag wel zou kunnen huilen.
Het is maar een kat.
Je moet je niet in haar leven gaan verdiepen, had de buurvrouw me gewaarschuwd, aan wie ik deze werkster te danken heb.
Zij heeft haar overigens alweer ontslagen, omdat ze nooit op tijd zou zijn. Mijn vorige werkster, een autochtone Utrechtse, terroriseerde mij. Daar heb ik nu geen last meer van, maar er is iets anders voor in de plaats gekomen.
Er zijn ergere dingen, maar ik kan even niks bedenken.
Halfhartig probeer ik de kat in zijn mandje te krijgen, opdat ik met hem naar de dierenarts kan. Hij krabt me, dat lijkt me een goed teken. Ik heb een geschiedenis van krabben en bijten met hem die al zo'n zeventien jaar teruggaat.
‘Ik loop gewoon te snel langs hem heen’, vergoelijk ik zijn uithalen jegens derden.
Een tijdlang heb ik hem met een bezem van me af moeten houden. Ik liep niet alleen te snel, ik bewoog ook te veel met m'n handen.
Een kat met karakter. En nog maar één oog sinds een paar jaar. En een ijzeren poot. Een vechtersbaas, gevreesd in de buurt. Een schildwacht, die altijd op me zit te wachten.
Als ik de dierenarts bel, blijkt die ook wel op huisbezoek te willen komen. Na wat geknijp in buik en flanken wordt het oordeel uitgesproken.
Het is maar een kat. Hoe harder ik het probeer te denken, hoe minder ik de tranen kan tegenhouden.
‘Het is toch een lid van je gezin’, zegt de dierenarts. Op slag droogt de stroom wat op. Mensen moeten niet overdrijven natuurlijk. Wat niet wegneemt dat ik mijn kat niet zomaar laat afmaken.
Dus weer het telefoontje naar de werkster. ‘Stofzuig maar niet.’
‘Is goed’, zegt ze rustig. En of ze in plaats daarvan wat zal gaan strijken. En dat haar man deze week mee zal helpen.
O ja, denk ik. Het is betaaldag. Eén keer in de maand wil ze haar geld hebben. Ik stop het in een envelop waarop ik in grote blokletters haar naam schrijf.
Niet aan je man geven, schrijf ik erachter, in een kleiner onzichtbaar lettertje.
‘Het enige wat ik kan lezen is mijn naam’, heeft ze me wel eens verlegen lachend gezegd. Met diezelfde lach vertelde ze over de gokverslaving van haar man, en zijn hoerenloperij. Niet dat ze het woord ‘hoeren’ in de mond nam. ‘Die vrouwen’ noemde ze ze.
Niet te veel in haar leven verdiepen.
Als ik thuiskom is het huis schoon en de kat weg. Ik denk één ding: die hufter. Is natuurlijk toch gaan stofzuigen. Laat hem lekker naar de hoeren gaan. Woedend bel ik haar op.
‘Weet jij waar de kat is?’
‘Hij lag de hele tijd in de kamer’, zegt ze. ‘Ik heb gestreken en hij lag er gewoon.’
Ik loop de tuin in, roep zijn naam, kijk onder de struiken. Het is mooi zo, maar ik wil het wel zeker weten. Als ik weer de kamer in loop, ligt hij gewoon op zijn oude plaats, op het kleed, midden in de kamer. Voorzichtig krab ik achter zijn oren, waarop hij onbedaarlijk begint te spinnen. Een uur later spint hij nog, geheel uit eigen beweging. Zie je wel. Zolang mijn kat een spinnende aanwezigheid is, wordt hij níet afgemaakt. De volgende dag zal een collega me vertellen dat een kat ook spint als hij pijn heeft.
Maar zo ver is het nog niet. Eerst wordt er gebeld.
‘Heb je hem al gevonden?’ vraagt mijn werkster. Tegen alle instructies van de buurvrouw in, weet ik dat ze haar moeder mist, dat ze last heeft van spataderen en dat haar dochter te zwaar wordt. Een tijdje geleden dronken we thee. Ze haalde uit haar tas een kaartje te voorschijn, dat ze meegenomen had van zo'n annoncebord in de supermarkt.
‘Wordt hierop om een werkster gevraagd?’ vroeg ze en stak me het kaartje toe.
De kat spinde ook toen alsof zijn leven ervan afhing. Ik las het handgeschreven tekstje. Er stond: kunstkerstboom t.k.a., met een telefoonnummer eronder. Afwachtend keek ze me aan. Waar zouden we zijn zonder onze beulen?