Economie

Ongelijk

De post komt twee weken te laat. Peter Bakker, topman van postbedrijf TNT, kreeg van minister Donner opdracht voor 1 juni met een rapport te komen. Maar dat gaat zijn commissie niet redden. Het advies van de commissie-Bakker, dat moet leiden tot verhoging van de arbeidsparticipatie naar tachtig procent, komt naar verwachting pas op 16 juni naar buiten. Niet dat Donner daar een probleem van zal maken. Van het kabinet had Bakker nog wat meer tijd mogen nemen. Zodra het rapport op tafel ligt, zal die ver-velende, coalitiesplijtende discussie over het ontslagrecht weer oplaaien. Het CDA wil de ontslagregels versoepelen, de PvdA heeft het huidige ontslagrecht heilig verklaard en denkt met een keihard ‘njet’ te-gen soepeler ontslag de kiezer terug te winnen. Eigenlijk had de commissie-Bakker een dubbele op-dracht: verhoog de participatiegraad en red de coalitie.
Ondertussen is er naar goed Hollands gebruik al het nodige uitgelekt. Bakker wil werkgevers verplichten werknemers in de eerste zes maanden na ontslag het loon door te betalen. Werkgevers zouden verder actief moeten helpen bij het vinden van nieuw werk. Ook moeten er fiscaal vriendelijke scholingspotjes komen voor het om- en bijscholen van werknemers. Wie dan toch nog werkloos wordt, krijgt WW. Maar in plaats van de huidige maximaal 36 maanden, zou de uitkeringsduur volgens de commissie maximaal 18 maanden moeten bedragen.
Het zijn allemaal zeer acceptabele, weloverwogen plannen, die ongetwijfeld op een aardig draagvlak kunnen rekenen. Maar de problemen aanpakken doet Bakker op deze manier niet, want het daadwerke-lijk versoepelen van het ontslagrecht komt in de plannen niet voor.
De Nederlandse economie smeekt om soepeler ontslag. Niet omdat bedrijven graag een lading werk-nemers willen lozen, maar omdat het huidige systeem niet werkt: de verkeerde werknemers worden be-schermd.
Voltijds werkende werknemers met een goede opleiding en veel ervaring krijgen de sterkste vorm van ontslagbescherming. Deze meestal witte mannen van boven de dertig hebben een uitstekende onder-handelingspositie en weten het arbeidsrecht het best naar hun hand te zetten. De benodigde flexibiliteit vinden werkgevers vervolgens bij kwetsbare groepen zonder veel onderhandelingsmacht. Deeltijders, lager opgeleiden en werknemers met weinig ervaring – vrouwen, allochtonen en jongeren – krijgen meestal een flexcontract zonder ontslagbescherming.
Wie het best alleen kan redden wordt beschermd, wie bescherming nodig heeft staat alleen. Een onzin-nige uitkomst, die wordt veroorzaakt door het feit dat ons huidige ontslagrecht ongelijke mensen gelijk behandeld. Kansrijke carrièremakers kunnen in principe een beroep doen op dezelfde rechten als voor-tijdige schoolverlaters. Met dien verstande dat alleen de eerste groep in staat is die rechten om te zetten in harde arbeidsvoorwaarden. Gelijke regels voor ongelijke mensen geeft ongelijkheid. Wat nodig is, is ontslagbescherming op maat. Discriminatie op de arbeidsmarkt. Alleen kwetsbare groepen krijgen nog een vaste baan met alle ontslagbescherming die daarbij hoort. De rest geeft die rechten op.
Vraag is natuurlijk op welke grond de overheid dat onderscheid moet maken? In een boek over dit on-derwerp heb ik twee jaar geleden al eens gepleit voor een inkomenscriterium. Iedereen die meer dan veertigduizend euro per jaar gaat verdienen, doet automatisch afstand van ontslagbescherming. On-danks de vele praktische bezwaren die vooral juristen bij zo’n opzet zien, lijkt het me nog altijd een pri-ma idee, dat bovendien het probleem van de gouden handdruk voor falende topbestuurders oplost.
Maar het kan ook anders. Bijvoorbeeld op basis van opleiding. Zodra iemand een hbo- of universitaire opleiding heeft afgerond, vervalt de ontslagbescherming. Met zo’n opleiding moet je voortaan toch zelf je zaakjes kunnen regelen. Bescherming is er alleen nog voor mensen met een lagere of geen opleiding. Wie z’n zwemdiploma heeft, kan zonder kurken in het diepe. Zet het maar boven aan ieder universitair of hbo-diploma: ‘U krijgt alle kansen op een mooie carrière, maar nooit een vast contract.’ En print on-deraan dat diploma voortaan een Kamer van Koophandel-nummer. Iedere afgestudeerde begint auto-matisch een eenmanszaak. Zonder vast contract is een hoog opgeleide werknemer ook ondernemer. Hij of zij krijgt een spannend bestaan met grote ontplooiingskansen en de mogelijkheid van een hoog inko-men. Dat maakt de economie flexibeler, zonder dat juist de kwetsbare groepen nog meer werkzekerheid moeten inleveren. CDA en PvdA allebei blij.