Ger Groot

Ongeloof

Ook de meest recente roman van José Saramago, De man in duplo (Meulenhoff), is doorspekt met de laconieke terzijdes die voor zijn oeuvre kenmerkend zijn geworden. Steevast proberen ze verbazing te wekken over het alledaagse, dat plotseling niet meer zo vanzelfsprekend lijkt, juist doordat het gewone ervan zo nadrukkelijk wordt overbelicht.

Op zulke momenten brengt Saramago zichzelf in het spel. Hij is niet langer de onzichtbare schrijver, maar wordt een belerende commentator, die in en zelfs voor zijn verhaal gaat staan. Dat lijkt hem door zijn lezers niet kwalijk te worden genomen. Het moralisme van zijn werk vormde voor het Nobelprijscomité zelfs een reden temeer voor de bekroning ervan. Blijkens de verkoopcijfers stemt het publiek daarmee van harte in.

Toch doet Saramago iets wat volgens de kunst niet mag. Hij wordt niet alleen zijn eigen uitlegger, maar stelt zijn verhaal minstens voor een deel in dienst van zijn boodschap. De roman wordt een moraliteit en dat ziet een zelfbewust kunstgenre niet graag. Saramago komt ermee weg door niets te verhelen. Hij is de aandachtige lezer van Poe’s Purloined Letter, die weet dat men een brief het best kan verstoppen op de meest voor de hand liggende plaats, waar niemand hem zal zoeken. De zichtbaarste overtreding blijft het langst verborgen: dat weet iedere gewiekste zakenman en crimineel.

Saramago’s literaire crime is dezelfde als die van Bertolt Brecht, de meest gewiekste schrijver van de voorbije eeuw. En ook hij fraudeerde uit naam van, deels dezelfde, moraal. De boodschap moest er bij het publiek worden ingehamerd en dat vroeg duidelijker taal dan die van de fictie. Let op, de moraal is echt! — liet Brecht zijn spelers in zijn stukken steeds opnieuw zeggen. «Vervreemding» heette dat openlijke tarten van het fictiespel van de literatuur, en de critici zagen er prompt iets revolutionairs in.

Ze hadden ongelijk, en de volkse populariteit van beide schrijvers — vrijwel per definitie wars van literaire nieuwigheid — onderstreepte dat. Die maakte tussen feit en fictie, kunst en moraal, nooit een onderscheid. Dat een roman een eigen wereld bouwt en de lezing daarvan een zorgvuldig beschermde suspension of disbelief zou zijn, is een literatuurtheoretisch verzinsel uit de hoge hoed van een filosofisch wantrouwen, dat meent dat mensen de wereld bij voorbaat achterdochtig tegemoet treden.

In werkelijkheid vormt homo sapiens een goedgelovige species, die pas aan de wereld gaat twijfelen wanneer zij daarvoor goede gronden heeft. En ook wat over die wereld verteld wordt, behoort daartoe. Er is geen reden om bij voorbaat te denken dat het woord slechts fictie is. Alles wat wij horen nemen we in eerste instantie voor waar aan. Alleen de paranoïcus is daarvan uitgezonderd. In de literatuurtheorie won hij het pleit met zijn overtuiging dat lezen een voort durende strijd zou zijn tegen natuurlijk ongeloof.

Voor een romanlezer hoeft er niets te worden opgeschort omdat er van disbelief nooit sprake is geweest. Het verhaal is voor hem van begin af aan even waar als de schrijver oprecht is. Wanneer die zich mengt in zijn eigen verhaal wordt het verschil tussen waarheid en verdichting al snel uitgewist door de wetenschap dat een echt verhaal nu eenmaal altijd verteld wordt door een echte schrijver. Dat beide in de tekst broederlijk naast elkaar staan was al geen probleem voor de lezers van Homerus, die zijn verhaal begon met zijn eigen aanroep van de muze. Milton zou bijna tweeëneenhalf millennium later in Paradise Lost moeiteloos hetzelfde doen.

Er is een achterdochtige moderniteit voor nodig geweest om een verhaal als fictie te bestempelen. Wantrouwen gold vanaf dat moment als een emancipatoire menselijke deugd en geloof als een gebrek aan verlichting. En zo de waard was, kreeg hij zijn gasten — ook in de literatuurtheorie, die geen andere fictie meer wenste te vertrouwen dan die van de lector paranoïcus. De verteller raakte uit de gratie en de lezer gold pas als volwassen wanneer hij de auteur niet langer vertrouwde. De schrijver was niet langer de bewoner van zijn tekst waar de lezer hem bezocht, maar werd de oplichter die in zijn werken moest worden ontmaskerd en betrapt.