Ongelovig maar niet goddeloos

André Gide
Het innerlijk blauw: Een keuze uit het dagboek, 1918-1939
Gekozen, vertaald, geannoteerd en van een voorwoord voorzien door Mirjam de Veth
De Arbeiderspers (Privé-domein), 662 blz., 32,95

André Gide
Niet als de anderen: Herinneringen
Vertaald en van een voorwoord voorzien door Mirjam de Veth
Atlas, 350 blz., 19,90

«Zijn dagboek is een stierlijk vervelend herbarium, een hoogst onbeduidende verzameling verdroogde planten met Latijnse etiketten erbij. In Zwitserland heb ik dominees gekend die hun vakantie besteedden aan dit soort werk. Herbariums vullen met bekende planten om ze een etiket op te plakken met een onbekende naam.» Het is duidelijk dat Jean Cocteau geen hoge dunk had van de dagboeken van André Gide (1869-1951), die nog bij diens leven werden gepubliceerd. Ook Julien Green was niet weg van de dagboeken van zijn vriend Gide. Nadat hij er voor de zoveelste maal in begonnen was, kwam hij tot de conclusie dat hij het boek nooit uit zou krijgen. «Waarom niet? Ik weet het niet precies. Het is verrukkelijk geschreven en elke bladzijde stroomt over van intellectuele rijkdom, maar hoewel hij alles geeft wat hij te geven heeft verkilt hij je, en hoe verder je leest, hoe minder je gelooft, hoopt en, ik zeg het met tegenzin, liefhebt.»

Dat Cocteau zo afwijzend reageerde was «uiteraard niet omdat hij me er slecht in uit laat komen», maar omdat Gide «zich nooit bedrukt [heeft] gevoeld door het groots geweldige en meeslepende […] Zijn bedruktheid komt slechts voort uit het kleine, de verbanden tussen minne zaken. Geen enkele grootmoedigheid. Nieuwsgierigheid van de botanicus. Met het vergrootglas.» Op zijn beurt had Gide weer een grote afkeer van de maniakale poseur die Cocteau was: «Niets is mij vreemder dan dat voortdurende streven naar modernisme waarvan je voelt dat het alle gedachten en beslissingen van Cocteau bepaalt. Ik zeg niet dat hij ongelijk heeft wanneer hij gelooft dat de kunst alleen vrij kan ademen in haar nieuwste verschijningsvorm. Maar toch, het enige wat ik belangrijk vind is wat niet met één generatie verdwijnt. Ik doe niet mijn best om bij de tijd te zijn, ik probeer mijn tijd te overschrijden.»

Zowel de krampachtige modernist Cocteau als de katholieke Green vond Gide te rationeel, te weinig vatbaar voor welk mysterie dan ook. Toch was dat niet helemaal terecht, getuige wat Gide op 14 augustus 1929 schreef: «Mystieke ideeën; ze passen me als oude pantoffels, ik voel me ermee op mijn gemak, maar ik loop liever op blote voeten.» Het religieuze verlangen, de mystieke vervoering was Gide zeker niet vreemd, maar hij had er bewust voor gekozen hier niet aan toe te geven.

Een groot deel van dit dagboek, althans in deze selectie, is gewijd aan Gides kritiek op de godsdienst en vooral op de drammerige wijze waarop dit door veel pas bekeerde jonge intellectuelen werd beleden: «Ik zou niet durven zweren dat ik in een bepaalde periode van mijn leven er niet aan toe was me te bekeren. Goddank hebben een paar bekeerlingen onder mijn vrienden me van dat voornemen afgehouden.» Toch waren militante antiklerikalen hem ook een gruwel en schreef hij vol afgrijzen dat zijn vriend Roger Martin du Gard – de volkomen vergeten Nobelprijswinnaar van 1937 – «zich in zijn materialisme heeft ingegraven als een zwijn in zijn modderpoel». God was een menselijke uitvinding, maar daarom hoefde je het nihilisme nog niet te omarmen: «Ik ben een ongelovige. Ik zal nooit een goddeloze worden.»

Overigens vond hij het een afschuwelijke gedachte «dat de mens de idee van God nodig heeft om zich zeker te voelen op aarde; dat hij gedwongen is absurditeiten te aanvaarden om iets stevigs te bouwen; dat hij erkent niet in staat te zijn van zichzelf te eisen wat religieuze overtuigingen kunstmatig van hem verkrijgen, zodat alles ineenstort zodra zijn hemel wordt ontvolkt».

Wellicht daarom ontwikkelde zich bij de uit een bourgeoismilieu afkomstige Gide, die zijn eigen privileges aanvankelijk als volstrekt vanzelfsprekend beschouwde, na verloop van tijd een vorm van maatschappelijk engagement. De reis die hij in de jaren twintig maakte naar Congo en Tsjaad opende hem de ogen voor de schande van het kolonialisme. Zijn Voyage au Congo (1927) sloeg in als een bom. Rechts Frankrijk, dat hem wegens zijn niet verhulde homoseksualiteit toch al een zedeloze schurk vond, viel hem ongenadig hard aan. Bij links heerste voldoening over dit engagement van de beroemde schrijver, die zich steeds meer begon te ergeren aan «al die jonge schrijvers die met zoveel misbaar lijden aan ‹le mal du siècle› of aan mystieke bevliegingen of onrust of verveling».

Dergelijke tere zieltjes zouden «subiet genezen als ze zouden proberen het maar al te reële leed om zich heen te genezen of te verlichten». Gide geneerde zich voor mensen die net als hij welgesteld waren en toch durfden te beweren dat ze zo ongelukkig waren. «Hoe kun je geen communistische sympathie voelen als je met sommige rijke mensen te maken hebt?» vroeg hij zich in 1928 af. Toen drie jaar later in Spanje de monarchie ten val kwam en links zijn woede richtte op de katholieke kerk, had Gide daar, hoe afschuwelijk hij het verbranden van kerken en kloosters ook vond, alle begrip voor: «Laat degenen die zich kwaad maken over die gewelddadigheden maar eens vertellen hoe een kuiken uit het ei kan komen zonder de schaal te breken.»

Met Lenin was hij van mening dat waar gehakt wordt noodzakelijkerwijs veel spaanders vallen. Met grote belangstelling volgde hij de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie, waar Stalin zijn land door middel van het eerste Vijfjarenplan in één klap wilde omvormen tot een moderne industriestaat: «Ik heb nog nooit zo hartstochtelijk nieuwsgierig naar de toekomst uitgezien. Ik juich die reusachtige en toch zo menselijke onderneming van ganser harte toe.» Als zoveel andere intellectuelen die zich lieten verblinden door de communistische propaganda moest hij een antwoord vinden op de vraag wat nu eigenlijk het verschil was tussen een communistische en een fascistische dictatuur. En net als al die andere fellow travellers trachtte hij zich eruit te redden door te stellen dat «het idee van vrijheid een illusie is».

In tegenstelling tot de meeste andere linkse intellectuelen uit die jaren sloot Gide niet zijn ogen wanneer hij werd geconfronteerd met de realiteit. De reis die hij in de zomer van 1936 naar de Sovjet-Unie maakte, op het moment dat de stalinistische terreur zijn hoogtepunt naderde, deed hem beseffen dat de kloof tussen propaganda en werkelijkheid wel heel erg groot was. Het conformisme, de serviliteit en de arrogante bekrompenheid stuitten hem tegen de borst en deden hem beseffen dat een dergelijk systeem mensen volledig corrumpeert. Hij vermoedde dat de geestelijke vrijheid in het Stalin van Rusland nog geringer was dan in het Duitsland van Hitler en kwam tot de conclusie dat die illusoire vrijheid toch verdomd essentieel was. Ondanks smeekbeden van onder anderen zijn vriend en reisgenoot Jef Last publiceerde hij in het najaar toch zijn Retour de l’URSS. De gelauwerde schrijver die met Stalin op de foto mocht, werd hierna uitgemaakt voor «een huilebalk en kwaadaardige oude man» en zelfs «een agent van de Gestapo».

Gide was zich ervan bewust dat hij als welgestelde kunstenaar in een ivoren toren woonde. Hij was zo eerlijk toe te geven dat hij ook niet anders kon, dat hij daarbuiten weinig te bieden had. Die eerlijkheid en oprechtheid zijn kenmerkend voor zijn dagboeken en voor zijn hele werk. Niet alleen de communisten konden daar slecht tegen, ook de «fatsoenlijke burgers» hadden weinig op met Gides gevecht tegen de hypocrisie. Toen in 1924 zijn jeugdherinneringen Si le grain ne meurt verschenen – Mirjam de Veth heeft dit boek nu opnieuw vertaald en heeft dat even fraai gedaan als haar selectie van de dagboeken – schreef een criticus dat alleen al de openingsscène overkwam als «een drol op de deurmat».

Over zijn seksuele avonturen en voorkeuren schreef Gide op een wijze die voor die tijd ongehoord openhartig was. Zo beschreef hij in zijn memoires dat hij, wilde hij tot rust komen, minimaal vijf keer moest klaarkomen. Ook rekende hij in dat boek genadeloos af met Lord Alfred Douglas, de geliefde van Oscar Wilde, die had beweerd dat hij nooit had geweten dat Wilde homoseksueel was.

Wat Gide in «Bosie» zo tegenstond was niet alleen zijn schijnheiligheid, maar ook zijn cynisme en negativisme. Gide was in staat mededogen te voelen met mensen die ver van hem af stonden, met wie hij weinig gemeen had. De mateloze arrogantie van veel kunstenaars en intellectuelen vervulde hem met weerzin. Hierdoor is zijn dagboek veel minder «kil» dan Green suggereerde, en lang niet zo vervelend als Cocteau beweerde. In 1920 schreef Gide hoe hij zich ergerde aan de afbrekende en negatieve wijze waarop Paul Valéry en Cocteau zich uitlieten over anderen. Hij kon «die salonpraat vol paradoxen, die alleen kan schitteren ten koste van een ander, niet langer verdragen». Cocteau was in zijn ogen een hopeloos geval, maar bij Valéry betreurde hij dit negativisme, dat niets anders dan een gevoel van leegte kon veroorzaken. «Is het een wonder dat hij, nadat hij eerst iedereen om hem heen heeft afgekraakt en zijn best heeft gedaan zoveel dingen oninteressant te vinden, zich verveelt.»