Ongemak als levenshouding

Wie ongemak wil zien kan het dagelijks tegenkomen. Ty Tashiro noemt sommige mensen chronisch ‘awkward’. Alsof het een medische kwaal is, behandeling uitgesloten. Een woord als een pantser.

Medium curb dinner awkward 1

In 2001 publiceerden twee wetenschappers die verbonden waren aan de Berkeley-universiteit een opmerkelijk onderzoek naar sociaal ongemak. Ze hadden een reeks klassenfoto’s bestudeerd die eind jaren vijftig en begin jaren zestig waren gemaakt op Mills College, een Californische privé-school voor meisjes. Het onderzoek spitste zich toe op alle gezichtsuitdrukkingen, heel nauwkeurig werden die ontleed. Van de bijna honderd vrouwen die onderzocht waren lachte het merendeel, maar die glimlachen vielen onder te verdelen in enerzijds werkelijk vreugdevol en anderzijds wat geforceerd of ongemakkelijk – van die grijnzen waarbij de rest van het gezicht onberoerd bleef. De onderzoeksvraag: maakte dat verschil voor de verdere levensloop van die vrouwen? Waren degenen die op hun jaarboekfoto’s oprecht lachten in hun latere leven een andere sociale positie gaan bekleden dan degenen van wie het gezicht weinig of geen vreugde uitstraalde? Speelt uiterlijk ongemak zo’n grote rol in het moderne leven?

De uitkomst was verrassend: een volmondig ja. De vrouwen die voluit en gemeend glimlachten hadden decennia later significant vaker een huwelijk dan de andere groep, vaker ook waren ze tevreden over hun relatie, ze hadden betere banen verworven, ze hadden minder last van negatieve emoties als somberte of depressie.

Hoe kan dat? Dat is ook de vraag die onderzoekers LeeAnne Harker en Dacher Kelnter zichzelf stelden: hoe kan iets schijnbaar kleins als een glimlach op een klassenfoto, haastig vastgelegd door een onbekende fotograaf, een indicatie geven voor iemands verdere levensloop? Hun verklaring: juist omdat het om zoiets onbenulligs gaat. Omdat er strikt genomen geen reden is om te lachen op een klassenfoto, dat is voor nagenoeg niemand een werkelijk vreugdevol moment, dus degenen die dan alsnog onbezoldigd lachen hebben een intrinsieke, persoonlijke opgewektheid, die ervaren minder stroefheid, en, de cruciale term: minder awkwardness.

Dit onderzoek wordt opgevoerd in Awkward: The Science of Why We’re Socially Awkward and Why That’s Awesome, het eerder dit jaar verschenen boek van de Amerikaanse Ty Tashiro, een bekroond psycholoog die werkt voor onder meer de universiteiten van Minnesota en Colorado. In deze intrigerende, zij het wat vreemde mengeling van anekdotiek, harde wetenschap en zelfhulpgids (inclusief lachwekkende adviezen voor bezoekjes aan fastfoodketens: bijvoorbeeld een instruerend schema met ‘mental preparation before entering a Wendy’s’) gaat Tashiro uitgebreid in op het begrip en de ontstaansgeschiedenis van awkwardness. De term valt niet helemaal accuraat te vertalen – niet voor niets wordt hij in het Nederlands ook veelvuldig gebruikt – maar ons ‘ongemak’ dekt de lading het best. Oftewel: een vrij brede verzamelterm voor kleine, alledaagse situaties waarbij verbale of nonverbale communicatie stroef verloopt, iemand lacht op het verkeerde moment, er wordt in gezelschap merkwaardig lang gezwegen, een gezichtsuitdrukking verraadt zoals op de klassenfoto een gebrek aan vreugde, enzovoort.

Het is geen toeval dat er nu een boek over dit onderwerp verschijnt, net zoals het geen toeval is dat er in het huidige millennium meer en meer onderzoek naar wordt gedaan. De term awkwardness is, een beetje populair gezegd, al jaren in opkomst. Sinds 2011 is er jaarlijks een drastische toename zichtbaar in Google-zoekopdrachten naar de vraag ‘why am I so awkward?’. mtv zond tussen 2011 en 2016 een veel bekeken serie uit over tieners die in allerhande ongemakkelijke en vreemde situaties belanden. De titel: Awkward. Op Twitter wordt de term wereldwijd minuut in, minuut uit gebruikt. Op Instagram zijn de cijfers nog duidelijker: #awkward is miljoenen keren gebruikt, terwijl hashtags als awkwardhand, awkwardface, awkwardsmile, awkwardarm stuk voor stuk ook nog honderdduizenden keren voorbij kwamen.

Een paar dingen vallen op. Allereerst dat de term voornamelijk gebruikt wordt door jongeren op jeugdige media – wat ongetwijfeld te maken heeft met de jeugdigheid van het begrip, die Tashiro in zijn werk ook voortdurend benadrukt: het woord awkward bestaat weliswaar al eeuwen, stammend van het oud-Noorse afgr (‘ergens verkeerd tegenaan kijken’), maar de betekenis is gaandeweg steeds meer verschoven naar sociaal ongemak. Tashiro betoogt dat het niet een kwestie is van een oude term die terrein wint, hij acht het hele verschijnsel van wat nu onder awkward verstaan wordt typisch 21ste-eeuws, een soort modern verlengde van ironie en nihilisme, en een gevoel dat vanzelfsprekend nauw verwant is met gêne en schuldgevoel.

Tot voor kort beperkte vrijwel ieders sociale leven zich tot een kleine, afgebakende groep van dezelfde afkomst en religieuze overtuigingen, in de huidige geseculariseerde wereld is het aantal sociale interacties exponentieel gegroeid – zeker de laatste jaren, waarin allerhande apps en aanhoudende urbanisatie steeds meer kortstondige verbintenissen en verwachtingen in de hand werken, waarin er veel meer manieren van zelfpresentatie zijn, waarin sociale normen en eisen voortdurend veranderen en er kortom veel meer ruimte is voor kleine momenten van onbegrip, onverwachtheid, ongemak. Verder valt het op dat eigenlijk al die awkward-hashtags en publieke uitingen gaan over uiterlijkheden. En zoals dat onderzoek van Harker en Kelnter onderstreept onthullen die uiterlijkheden iets significants over wat zich inwendig afspeelt. Maar bij de hashtags gebeurt ook nog iets anders: er wordt niet alleen iets waarneembaars gedeeld, dat wordt vaak ook direct becommentarieerd door de afgebeelde zelf. En expliciet bestempeld als ongemakkelijk.

Och wat wappert mijn arm vreemd in beeld, kijk eens naar mijn ongemakkelijk ernstige gezicht

Daar kun je niet omheen als het over awkwardness gaat: het begrip wordt in het merendeel van de gevallen zelfreflectief gebruikt. En daarin verschilt het van vergelijkbare termen als ‘weird’ of ‘geeks’, begrippen die vaak worden genoemd als voorlopers van het hedendaagse awkwardness. Het cruciale onderscheid is dat die eerste twee termen vooral voor derden worden gebruikt, terwijl mensen vooral awkward zeggen over situaties waarvan ze persoonlijk deel uitmaken. De term verraadt een verhoogd zelfbewustzijn, een distantie ten opzichte van de eigen publieke persona, die de afgelopen jaren dankzij sociale media natuurlijk drastisch op de voorgrond is getreden.

Het punt is dit: door het ongemak zelf te benoemen, in gesprekken of online, maak je het tot op zekere hoogte onschadelijk. Daarmee laat je zien dat je de situatie overziet, dat je zelf door hebt wat er eventueel ongemakkelijk is en het dus in elk geval deels de baas bent. De term is daarmee veel meer dan een hashtag. Het is een manier om in het leven te staan, een tegenhanger van arrogantie of groot zelfvertrouwen; het gaat veel verder dan alleen #awkwardarms of ongemakkelijke gezichtsuitdrukkingen, het gaat ook over eigen opmerkingen waar je niet meer achter staat, over andermans gedachtegoed dat je niet deelt, over gedateerde opvattingen over sekse of ras, over pijnlijke episodes uit je verleden of dat van generaties voor je. Een woord als een pantser, dat om die reden zo vaak ingezet wordt: inderdaad, dit is ongemakkelijk, och wat wappert die arm vreemd in beeld, kijk eens naar dat ongemakkelijk ernstige gezicht, ja, ik benoem het dus ik doorzie het.

Als de ernstig kijkende vrouwen op de klassenfoto’s die Harker en Kelnter onderzochten de mogelijkheid hadden gehad zichzelf op sociale media als awkward te bestempelen, als ze dat woord in de kantlijn van hun klassenfoto hadden gekrabbeld, had hun dat dan een beter zelfbeeld gegeven? Of in elk geval meer het gevoel dat ze de baas waren over hun bestaan? Hadden ze hun verdere levensloop daarmee een duwtje in de goede richting kunnen geven, bij het ongemak vandaan?

Ik sluit het allerminst uit. Want met het benoemen wordt het ongemak, hoe schijnbaar particulier het soms ook lijkt, paradoxaal genoeg vaak juist minder individueel. En zelfs herkenbaar voor buitenstaanders. Het wordt geëxpliciteerd, gedeeld, gecultiveerd.

Bijvoorbeeld in (bijzonder populaire) tv-series als The Office en Curb Your Enthusiasm – die enigszins oneerbiedig gezegd neerkomen op een onophoudelijke reeks ongemakkelijkheden. In Curb Your Enthusiasm belandt hoofdpersoon Larry David (een komiek die zichzelf speelt) keer op keer, al negen seizoenen lang, in situaties vol misverstanden en sociale botsingen, die vervolgens langdurig worden uitgevent. David discrimineert per ongeluk een zwarte vrouw, hij benoemt zaken waar anderen over zwijgen en werkt zo awkwardness in de hand (zoals wanneer iemand voordringt in een lange rij, of in het pas verschenen laatste seizoen wanneer hij bij een ober klaagt over het afschuwelijk smakende Amerikaanse drinkwater). Kwade opzet zit er nooit bij, en het ongemak wordt extra schrijnend omdat hij het voortdurend door heeft – weer dat zelfbewustzijn. Bij tijd en wijle benoemt hij het ook gewoon, wat in wezen neerkomt op de veelgebruikte Instagram-hashtag. In dit verband wees Elif Batuman in haar beschouwing over awkwardness, gepubliceerd in The New Yorker, al eens op de tagline van de serie: ‘Deep inside you know you’re him.’ Ze zet de serie en het hedendaagse ongemak af tegen Woody Allen-achtige neurotische of angstige types van de jaren tachtig, tegen het nihilisme van de jaren negentig en de ironie van de jaren nul. ‘Awkwardness is existential, universal.’

De voorvallen van Larry David illustreren niet alleen hoe herkenbaar ongemak is, ze laten ook treffend zien hoe overheersend en daarmee beperkend het gevoel kan zijn. Want hoe vaak hij ook gelijk heeft of doordramt over een op zich legitiem punt – met die vreemde mengeling van weinig empathie en overheersend ongemak, Tashiro merkt ook op dat awkwardness vaak neerkomt op paradoxale situaties waarbij iemand tegelijk ‘emotionally over- and under-reactive’ is –, David blijkt zelden in staat om zich over het ongemak heen te zetten. Het pantser, die levenshouding, is daarmee ook een rem op allerlei verdere interacties. Een natuurlijk eindpunt voor zo veel mogelijk discussies, omdat hij daarna niet in staat is op een meer open manier naar de wereld te kijken en het eventuele ongemak zijn blik op den duur volledig kleurt.

Wie ongemak wil zien kan het dagelijks tegenkomen, een blokje om is doorgaans genoeg voor een vervreemdende ontmoeting, en Tashiro heeft het in dit verband veelvuldig over ‘chronically awkward people’. Alsof het een medische kwaal is, succesvolle behandeling uitgesloten. Maar ik denk toch ook, wellicht een tikkeltje naïef: er valt deels overheen te stappen. Door het niet steeds te benoemen. Door het te proberen te negeren. Men kan weliswaar constateren dat een grijns in groepsverband onoprecht is, maar voor wie zichzelf lang genoeg dwingt te glimlachen, zal die gezichtsuitdrukking op een dag toch iets natuurlijker aanvoelen – en ook werkelijke vreugde of ontspanning kan beginnen met imitatie. Zelf glimlachte ik overigens nooit op klassenfoto’s. Ik heb het nagezocht, zelfs licht omhoog gekrulde mondhoeken konden er niet vanaf. Onthulde dat iets over mijn toekomst? Over de stroefheid die ik vandaag de dag vaker ervaar dan me lief is, tijdens onverhoedse ontmoetingen op straat, bij plichtmatige gesprekken met vage bekenden of verre klasgenoten – en waarbij ik altijd denk dat die toch grotendeels door mijzelf komt?

In artikelen over ongemak valt het woord schaamte vaak slechts terloops, zelfs in de studie van Tashiro, maar voor mij heeft zulk ongemak als op klassenfoto’s altijd zeer nauw met dat gevoel samengehangen. Zoals bekend zijn voor schaamte anderen nodig, daarin lijkt het bijzonder veel op ongemak, dat tenslotte bestaat bij de gratie van andermans ogen. En ik schaam me voor de meest triviale dingen – voor mijn versleten trainingspak wanneer ik naar de supermarkt loop, voor mijn gebit als ik daar iemand lang naar zie kijken, voor mijn antwoorden die ik zelf zo vaak als ontoereikend zie.

Op zulke momenten lijkt er niets anders te bestaan dan het ongemak, de sociale haperingen. Als middelbare scholier was ik enkele jaren actief als vrij grove gangsterrapper – een soort uit de hand gelopen parodie waarvan het onduidelijk was waar de grap ophield en de ernst begon – en de schaamte kwam pas na jaren, toen anderen ervan op de hoogte raakten. En om nog meer schaamte voor te zijn (of een ontdekking door de redactie van literair weblog Tzum die mijn meest gewelddadige citaten zou opsommen) besloot ik er vlug over te schrijven. Dat luchtte meteen op, ik maakte het ongemak zo zichtbaar dat niemand me er nog mee kon verrassen, ik verdreef het zodoende, simpelweg door het feitelijk op te schrijven. Het enige wat eraan ontbrak was de bijbehorende hashtag waarmee ik definitief kon bewijzen dat ik het allemaal door had. Dat ik er boven stond.