Media

Ongemakkelijk gevoel

De perikelen rond de Amerikaanse film Innocence of Muslims en de spotprenten in het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo hebben niet alleen geleid tot massale demonstraties en aanslagen, met tientallen doden als gevolg, maar ook tot de zoveelste discussie over de vrijheid van meningsuiting. Daarbij roeren vooral rechtse politici opmerkelijk vaak en luid de trom van democratische waarden – in wat zij schilderen als een episode in de clash of civilizations.

Zo hekelden de Republikeinen de pogingen van de Amerikaanse regering om afstand van de film te nemen, en overlaadden VVD en PVV de voorzitter van het Europees Parlement Martin Schulz met kritiek omdat hij de productie en de distributie van de film krachtig veroordeelde – in plaats van de vrijheid van meningsuiting voorop te stellen. Een ongemakkelijke situatie, want zo langzamerhand kun je je afvragen of deze affaires nog wel iets met politieke, morele of religieuze principes van doen hebben.

Je kunt de gebeurtenissen ook opvatten als een proces van actie en reactie, voortgedreven door mensen en partijen die er iets bij te winnen hebben. Dat begint bij de makers die uit een veelheid van motieven – narcisme, rancune, politiek of commercieel gewin – de aandacht op zichzelf willen vestigen. Wilders is daarvan een mooi voorbeeld, maar ook de redacteuren van Charlie Hebdo, die zich als helden met gebalde vuist op de foto laten zetten. Aan de andere kant staan regimes, politieke groeperingen en religieuze leiders die elke ‘belediging’ aangrijpen om hun positie te versterken. De internationale media, op hun beurt, zijn er als de kippen bij om de ongeregeldheden – liefst live – te verslaan, waarna het de beurt is aan de Romney’s en Van Baalens om hun gelijk op te eisen en met veel misbaar zelfs maar de geringste betuiging van begrip als aantasting van westerse waarden te bestempelen.

Fitna, Charlie Hebdo, Innocence of Moslims – goed beschouwd draait het minder om religieuze gevoelens of ideologische principes dan om media-aandacht, kijkcijfers, oplages, geld en, nog meer, macht en politieke retoriek, om het even aan welke kant van het spectrum. Intussen worden wij, burgers, opgezadeld met de vraag hoe een en ander zich verhoudt tot de vrijheid van meningsuiting – een moeilijke opgave, gezien in het licht van de motieven van de betrokkenen. Zijn de makers van Innocence of Moslims of de lepe redacteuren van Charlie Hebdo werkelijk te beschouwen als helden van het vrije woord, die onze steun verdienen, ook al zijn we het niet met hen eens, en die we ‘tot de dood’ zouden moeten willen verdedigen, zoals het (ten onrechte) aan Voltaire toegeschreven dictum luidt? Of moeten we ze zien als provocateurs, vergelijkbaar met de Damschreeuwer tijdens de Dodenherdenking, of met een vrouw die dag na dag op straat staat te roepen dat haar buurman incontinent is en zijn vrouw mishandelt – maar dan in een internationale setting?

Laatst­genoemde zou het met een beroep op de vrijheid van meningsuiting voor een Nederlandse rechter niet halen, zelfs als dat wat zij roept geheel en al waar is; zowel in een strafzaak als in een civiel-rechtelijke procedure hoeft zij op weinig begrip te rekenen. En hoe het met de Damschreeuwer is afgelopen, weten we allemaal. Er zijn, kortom, grenzen. Zelfs in Amerika, het land waar de vrijheid van het woord zo goed als heilig is, worstelt men met de vraag waar die precies liggen. Eerder is hier al eens geschreven over de Westboro Baptist Church, een minuscule antisemitische, antikatholieke calvinistische sekte uit Kansas die begrafenis­plechtigheden voor in Irak gesneuvelde soldaten placht op te luisteren met protestborden met teksten als ‘God haat flikkers’, ‘God haat Amerika’ en ‘Dank God voor 9/11’. Hun recht om te demonstreren werd door het Hooggerechtshof erkend, maar in verschillende staten werden de demonstranten wel verplicht om op afstand van de rouwstoet te blijven.

Dat precies de meest onverdraagzame groeperingen zich zo graag beroepen op het beginsel van de vrijheid van meningsuiting, zal de oprechte verdedigers ervan allicht een vieze smaak in de mond geven. Zij moeten zich voelen als een pion in het spel dat de makers van Innocence of Muslims en vergelijkbare rommel spelen: terwijl deze zich welbewust overgeven aan een vorm van politiek hooliganism, die weinig of niets uit te staan heeft met de idealen van de Verlichting, maar des te meer met politieke baldadigheid, opportunisme en winstbejag, houden zij zich keurig aan hun principes.

Dat is een moeizame, zelfs pijnlijke positie. Maar dat dezelfde politici, partijen en media hun critici vervolgens ook nog eens het recht willen ontzeggen hun gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en hun vaak rabiate vuilspuiterij publiekelijk aan de kaak te stellen, mag gerust een gotspe worden genoemd.