Nederland en de Europese Monetaire Unie

Ongemakkelijke vragen

Het lijkt erop dat Nederland toekomstige hervormingsmaatregelen in de eurozone, misschien uit angst voor eurosceptici, vooral overlaat aan Duitsland en Frankrijk. Wat betekent deze afwachtende houding voor de Nederlandse belangen?

Medium 12 02 18 macron merkel mars

‘Frankrijk en Duitsland willen dit voorjaar een akkoord sluiten over de hervorming van de eurozone.’ Dit meldde de Franse minister van Financiën Bruno Le Maire afgelopen maand na afloop van zijn gesprek met zijn Duitse collega Peter Altmaier in Parijs. De nieuwe afspraken gaan officieel over het finaliseren van de bankenunie, verdere integratie van de kapitaalmarkten en belastingharmonisatie. Maar dat er ook gepraat wordt over de integratie van de eurozone is inmiddels een publiek geheim. Beide landen willen de vaart erin zetten – zeker nu er weer een nieuwe Duitse regering is – en hebben de Spaanse en Italiaanse collega’s er inmiddels bij betrokken.

Nederland zit bij deze gesprekken niet aan tafel en de regering lijkt hier vooralsnog weinig aan te doen. De grote vraag is of deze houding de Nederlandse belangen – die groter zijn dan menigeen zich realiseert – wel recht doet. De kans is levensgroot dat we de komende jaren door de grote lidstaten overrompeld worden met verregaande hervormingsmaatregelen in de eurozone. De afwachtende politiek kan ons land veel geld gaan kosten, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van een eurozonebegroting waaraan Nederland structureel een forse financiële bijdrage zal moeten leveren.

Als we ons eigen kabinet mogen geloven zal het allemaal wel meevallen. Op papier blijft het zich verzetten tegen grote hervormingen en vergezichten. ‘De Europese Unie dient geen schuldengemeenschap te worden’, schrijven Wopke Hoekstra (Financiën) en Halbe Zijlstra (Buitenlandse Zaken) aan de Tweede Kamer. Plannen voor verdere stappen in de richting van een transferunie en het invoeren van eurobonds worden onverkort afgewezen.

De brief, waar de Tweede Kamer uitdrukkelijk om had verzocht, bevat de officiële kabinetsreactie op de verschillende hervormingsscenario’s in het emu-reflectiepaper van de Europese Commissie. Hoekstra en Zijlstra stellen, kort gezegd, hiervan niets te willen weten. In plaats daarvan houden zij liever vast aan de ‘doormodder-doctrine’ die Jeroen Dijsselbloem als voormalig voorzitter van de eurogroep de afgelopen jaren voorstond: men dient voort te bouwen op de pijlers waarop de Europese Monetaire Unie (emu) momenteel stut: het Stabiliteits- en Groeipact (sgp) en het European Stability Mechanism (esm).

Terugblikkend op de afgelopen jaren meent het kabinet dat er adequaat is gereageerd op de eurocrisis. ‘Lidstaten hebben veel bezuinigingen en hervormingen geïmplementeerd. En ook op EU-niveau hebben grote veranderingen plaatsgevonden. De budgettaire regels zijn aangescherpt, als ook de aanpak van macro-economische onevenwichtigheden. De bankenunie is in zeer korte tijd tot stand gebracht en heeft bankentoezicht en bankenresolutie op Europees niveau gebracht’, schrijven de ministers. Dat de recente ingrepen van de Italiaanse overheid bij twee noodlijdende banken aantoonden dat het Europees bankenresolutie-mechanisme in de praktijk nauwelijks functioneert, laten zij gemakshalve achterwege.

Hoewel de eurozone volgens de twee ministers nog ‘kampt met erfenissen uit het verleden’ kunnen deze zorgen volgens hen worden geadresseerd wanneer ‘lidstaten (…) hun verantwoordelijkheid nemen’ en regels worden nageleefd. De verregaande hervormingsscenario’s van Frankrijk, Italië, Duitsland en de Europese Commissie doen Hoekstra en Zijlstra af met de mededeling dat zij zich niet kunnen vinden in de plannen. Liever focussen zij op de vraag hoe men ervoor kan zorgen dat andere lidstaten zich netjes aan de regels houden, hoe men hen beter kan beteugelen wanneer zij uit de bocht vliegen en hoe men in Europa voor meer duurzame economische groei kan zorgen.

Op papier wekken de ministers de indruk dat Nederland zich geen zorgen hoeft te maken, dat het meeste werk ter bestrijding van de eurocrisis is gedaan en dat grote hervormingen derhalve niet nodig zijn. De grote vraag is of deze houding nog wel getuigt van enige realiteitszin. Het kabinet negeert een aantal belangrijke economische feiten en politieke ontwikkelingen om de beladen discussie uit de weg te gaan over de vraag wat de gevolgen zullen zijn van de diverse hervormingsvoorstellen die momenteel in Brussel, Rome, Parijs en Berlijn worden uitgewerkt.

‘Wie denkt dat het meeste werk ter bestrijding van de eurocrisis gedaan is, is heel naïef of durft niet het hele verhaal te vertellen.’ Riccardo Pennisi zit op zijn kantoor aan de Piazza Navona in Rome. Hij is een van Italië’s meest vooraanstaande politiek analisten wat betreft Europese zaken. Hij begon zijn carrière als assistent van voormalig vice-minister van Buitenlandse Zaken Marta Dassu, werkte in Brussel, Straatsburg en Madrid en is tegenwoordig managing editor van de Italiaanse afdeling van de Amerikaans-Europese denktank Aspenia Online.

Volgens Pennisi is de eurocrisis allesbehalve voorbij. Ons bankwezen mag er dan wellicht iets beter voor staan, de overheidsfinanciën van Griekenland, Italië en Spanje staan er nog zeer zorgelijk voor. ‘Tot nu toe houdt de ecb de monetaire unie stabiel met haar negatieve depositorentes en ongekend grote monetaire verruimingsmaatregelen. Maar iedereen weet dat dit niet eeuwig zal duren, al was het maar vanwege de toenemende kritiek vanuit de eigen organisatie.’ Hij wijst op de voormalige ecb-hoofdeconoom Jürgen Stark, die het instituut verliet vanwege zijn kritiek op het beleid. Ook Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank (en medebestuurslid van de ecb), en zijn Duitse collega Jens Weidmann hebben zich al meermalen zeer kritisch uitgelaten over de huidige gang van zaken. Knot liet onlangs nog weten dat hij vindt dat het opkoopprogramma na december 2017 moest worden stopgezet. ‘De overheden zijn nu aan zet.’

Pennisi ziet nu een aantal belangrijke verschuivingen in Europa plaatsvinden, verschuivingen die volgens hem verstrekkende gevolgen zullen hebben. ‘Na jaren van crisismanagement en pleisters plakken is de bereidheid tot structurele hervormingen van de monetaire unie steeds groter’, zo meent hij. ‘Mede door de recente reddingsoperaties in de Spaanse en Italiaanse bankensector ziet men dat de fundamenten onder de muntunie nog altijd zeer wankel zijn en dat de crisis elk moment weer kan oplaaien. Het valt voor politici gewoonweg niet meer te ontkennen dat het huis van de emu fors verbouwd dient te worden, wil men niet opnieuw vervallen in dezelfde dynamiek als die van de laatste jaren.’

In het nieuwe coalitieakkoord tussen Angela Merkels cdu en de spd van de eurogezinde Martin Schulz staan wat hervormingen in de eurozone betreft zelfs geen ‘red lines’ meer, zoals die in de mislukte ‘Jamaica-coalitie’ nog wel stonden, merkt Pennisi op. Aan de Brusselse onderhandelingstafel zullen zij van de nieuwe voorzitter van de eurogroep, Mário José Gomes de Freitas Centeno, in elk geval weinig weerstand ondervinden. Voor de Portugese (socialistische) minister van Financiën, die afgelopen maand de voorzittershamer van Jeroen Dijsselbloem overnam, is de doormodderdoctrine van zijn voorganger geen optie meer. Volgens Centeno dient onze gemeenschapsmunt ‘een instrument ter bevordering van economische groei en sociale integratie te worden’. Bij zijn aantreden sprak hij dan ook duidelijke taal: ‘De eurozone dient drastisch te worden hervormd.’ Berlijn en Parijs staan open voor hervormingen, maar over de richting verschillen zij nog aanzienlijk van mening.

Volgens econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, die in 2016 in zijn boek The Euro de conclusie trok dat de muntunie in haar huidige vorm geen lang leven beschoren is, hebben de Europese leiders de keuze uit drie scenario’s tot behoud van de euro. Het eerste behelst een soort flexibele euro, waarbij landen als Griekenland die in problemen komen tijdelijk de muntunie kunnen verlaten. In de praktijk zou de emu dan waarschijnlijk een veel kleinere kern krijgen, met een grote flexibele schil van landen die dan weer wel, dan weer niet meedoen. Ook zou een tijdelijke exit voor het betreffende land gepaard gaan met zeer hoge kortetermijnkosten.

Een tweede scenario is het opdelen van de huidige eurozone in meerdere regio’s met hun eigen euro. Dit kan een neuro/zeuro-verdeling worden (noord-zuid), maar ook andere verdelingen zijn denkbaar. Als laatste weg voorwaarts noemt Stiglitz het afmaken van het halve huis dat men nu heeft gebouwd: verdere integratie van begrotingen en schuld- en risicodeling. Hij stelt: ‘Men zal zeker niet zo ver hoeven te gaan als bij ons in de VS, maar men zal wel verder moeten gaan dan men nu heeft gedaan.’

‘Wie denkt dat het meeste werk ter bestrijding van de eurocrisis gedaan is, is naïef of vertelt niet het hele verhaal’

Pennisi ziet het meeste heil in het opknippen van de grote unie in een aantal kleinere, meer homogene delen. ‘Volgens mij is Europa cultureel en economisch uiteindelijk veel te verschillend om onder een monetair regime te kunnen functioneren’, zegt hij. ‘Volgens mij creëer je op de lange termijn de meeste stabiliteit als je de huidige emu zou opdelen in twee, misschien wel drie delen.’

Toch ziet de Italiaan dat het politieke speelveld in Europa zich momenteel sterk beweegt naar fiscale integratie – een grote wens van Frankrijk. ‘De afgelopen jaren zette Duitsland primair de toon in de onderhandelingen in de eurogroep. Men dient zich goed te realiseren dat die onderhandelingen vooral draaiden om de vraag hoeveel hervormingen en begrotingsdiscipline men de probleemlanden kon opleggen. Bezien vanuit het oude adagium “wie betaalt, bepaalt” is het logisch dat Duitsland als grootste sponsor van de diverse noodsteunpakketten in deze gesprekken de lakens uitdeelde.’

Dat Duitsland hierbij vooral de nadruk legde op de eigen verantwoordelijkheid van de lidstaten om hun huishoudboekje op orde te krijgen en om zich netjes aan de regels te houden van het Stabiliteits- en Groeipact kwam Nederland politiek gezien goed uit. ‘Maar de komende tijd zal de focus van de onderhandelingen in de eurogroep niet meer liggen op de lokale hervormingen in probleemlanden’, waarschuwt Pennisi, ‘maar op de verbouwing van de emu als geheel. Het werkelijke politieke gevecht over de toekomst van de eurozone gaat nu pas beginnen. En bij deze onderhandelingen zal een heel ander politiek spel gespeeld worden, waarin waarschijnlijk niet Duitsland de toon zet, maar Frankrijk.’

‘Tot nu toe heeft Merkel zorgvuldig verborgen wat ze echt wil. Ik voorzie dat het voor haar het belangrijkst is om haar nieuwe coalitie stabiel te houden en dat zij Frankrijk zal geven wat nodig is om het minimaal tevreden te houden.’ Ook Wolfgang Streeck, de Duitse socioloog en directeur-emeritus van het Max Planck Instituut voor Sociale Wetenschappen in Keulen, ziet belangrijke veranderingen waar het de toekomst van de emu betreft. Het Duitse beleid zal daarbij sterk gefocust zijn op een politiek stabiel Europa, voorspelt hij in een e-mail. >

Wat Frankrijk wil, liet de sterk Europa-gezinde president Emmanuel Macron direct na zijn aantreden zonder veel omhaal weten: meer collectivisering en risicodeling. Als het aan hem ligt krijgt de eurozone op korte termijn een eigen, gemeenschappelijke begroting, met een bijbehorende Europese minister van Financiën. Dit zou gepaard moeten gaan met de uitgifte van gemeenschappelijke schulden, eurobonds. Italië lijkt hier welwillend tegenover te staan. Het land deed in 2015 zelfs al een schot voor de boeg, door tijdens het hoogtepunt van de Griekse crisis het voorstel te presenteren voor de vorming van een collectieve werkloosheidsuitkering voor de hele EU – om meer sociale stabiliteit te creëren en de ‘wederzijdse’ solidariteit tussen landen in de EU te vergroten.

Idealiter dragen de individuele landen over de tijd heen naar rato ongeveer evenveel af aan een gemeenschappelijke begroting als dat ze ontvangen. Wanneer dit echter niet het geval is, ontstaat er een transferunie waarbij er langdurige, semi-permanente overdrachten ontstaan van het ene naar het andere land. Duitsland, met Nederland in zijn kielzog, heeft hier tot nu toe niets van willen weten. Het vreest dat de rijke, noordelijke lidstaten daarmee nog directer en structureler gaan betalen voor de problemen en de tekorten van de anderen. Merkel heeft in de onderhandelingen over toekomstscenario’s dan ook altijd ingezet op de eigen fiscale verantwoordelijkheid van de lidstaten.

Maar inmiddels heeft Merkel al aangegeven dat er ‘valt te praten’ over de plannen van Macron. ‘De vrees bestaat namelijk bij ons dat Macron de derde Franse president op rij zal worden die maar één termijn krijgt van de kiezer, als hij zijn beloften niet kan waarmaken’, legt Streeck uit. ‘Daarom zal Merkel Macron waarschijnlijk een eurozonebegroting gunnen, waarop hij zo hamert.’

Belangrijk is volgens Streeck de vraag hoe groot deze begroting zal zijn en hoe ze zal worden bekostigd. ‘Wordt deze straks gefinancierd door directe belastingen, door bijdragen van de lidstaten uit de lopende begrotingen, of door de uitgifte van nieuwe schulden? En waar gaat ze voor dienen? Voor investeringen of ook voor andere zaken? En waar, alleen in Frankrijk of ook rond de Middellandse Zee en Oost-Duitsland?’

Antwoorden op deze vragen zullen in belangrijke mate het draagvlak bij de burger en de politieke haalbaarheid bepalen, denkt Streeck. ‘Er zijn nu twee partijen in de Bondsdag, de fdp en de AfD, die ongemakkelijke vragen zullen stellen, niet in het minst over de vraag wat de Duitse grondwet in dit opzicht zal toestaan, en wie in Duitsland de rekening zal betalen.’

Medium uitgesneden.12 02 18 macron rutte

Die ongemakkelijke vragen worden door de Nederlandse regering tot nu toe ontweken. Het parlement wordt zelfs het riet ingestuurd met de vage belofte dat de regering zich zal inzetten voor het creëren van duurzame groei in Europa, alsof hiermee alle problemen van tafel zijn. De Nederlandse regering onthoudt hiermee het thuisfront een werkelijk kritisch debat over het te voeren beleid en over de Nederlandse inzet ten aanzien van de toekomst van de euro. Een ingewijde binnen de vvd meent zelfs dat premier Mark Rutte, terwijl hij voor de bühne roept dat hij het er niet mee eens is, de dynamiek op het Brussels politiek toneel op z’n beloop wil laten, om vervolgens de Nederlandse burger een fait accompli te kunnen voorschotelen. Of dit werkelijk zo is blijft gissen. In elk geval zou het kabinet dan zelf geen kleur hoeven te bekennen over de vraag welke offers het wil brengen om de emu overeind te houden.

Wat kunnen de diverse voorgestelde hervormingen Nederland gaan kosten? Nationale adviesorganen roeren zich inmiddels wel in het debat hierover. Zo nam de Raad van State recent een duidelijk standpunt in voor het behoud van de euro, maar stelde ook dat daarvoor het nodige dient te gebeuren. De Raad van State spreekt geen duidelijke voorkeur uit voor de te kiezen oplossingsrichting, maar maant het kabinet wel om actief aan de discussie deel te nemen en de ontwikkelingen in Europa op dit gebied niet te negeren.

Veel uitgesprokener zijn de conclusies van de Nederlandse Adviesraad Internationale Vraagstukken (aiv). Die stelt dat wil men de euro op de lange termijn behouden er nagedacht moet worden over de vorming van een fiscale unie. Saillant detail hierbij is dat de aiv tevens de plechtige waarschuwing doet dat een dergelijke unie niet mag leiden tot permanente transferbetalingen, omdat daarvoor bij de Nederlandse kiezer waarschijnlijk geen draagvlak zal bestaan.

‘De vrees bestaat dat Macron de derde Franse president op rij wordt die maar één termijn krijgt van de kiezer’

Christiaan van der Kwaak, universitair docent macro-economie aan de Rijksuniversiteit Groningen, betwijfelt of langdurige transferbetalingen van Nederland aan armere lidstaten te vermijden zijn wanneer men zo’n fiscale unie zou creëren. Van der Kwaak is bezig met een studie naar de onderlinge verhoudingen tussen de staten in de VS. Hij kijkt daarbij naar de relatie tussen het bruto binnenlands product (bbp) per capita van de individuele staten en de netto-afdracht aan de federale overheid in Washington gedurende de periode 1990-2009. Daaruit blijkt dat hoe hoger het bbp per capita is (inkomen per hoofd van de bevolking), hoe meer er netto wordt afgedragen aan Washington (als percentage van het bbp). Andere fiscale unies vertonen een vergelijkbaar patroon. Hoewel we volgens de econoom niet al te voorbarige conclusies moeten trekken – ‘het betreft slechts een correlatie en niet noodzakelijkerwijs een causaliteit’ – is het patroon wel helder.

In de eurolanden zijn de verschillen in het bbp per capita zeer groot. Dat van Italië ligt zo’n dertig procent lager dan in Nederland, dat een van de hoogste bbp’s per capita van de eurozone heeft. In Spanje ligt het zelfs zo’n veertig procent lager en in Portugal en Griekenland bijna vijftig procent. ‘Het valt niet te verwachten dat deze verschillen snel zullen afnemen, laat staan zullen omdraaien. Dit soort verschillen veranderen slechts over periodes van vele jaren of zelfs decennia’, aldus Van der Kwaak. Zijn verwachting wordt onderschreven door de ecb, die in 2015 constateerde dat de netto convergentie tussen de lidstaten sinds de invoering van de euro praktisch nul is geweest. Wanneer Duitsland en Frankrijk, al dan niet met hulp van Italië en Spanje, de komende jaren inzetten op het creëren van een gemeenschappelijke begroting voor de eurozone dienen we dus serieus rekening te houden met het scenario dat Nederland langetermijn-nettobetaler wordt.

Het mislukte Stabiliteits- en Groeipact

Dat het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) een wassen neus is, blijkt niet alleen uit de ervaringen in Zuid-Europa, maar zelfs uit de prestaties van Nederland. In de periode vanaf de invoering van de euro tot 2015 voldeed ons land zelf zes jaar lang niet aan de SGP-criteria. Duitsland vloog in diezelfde periode zelfs acht jaar lang uit de bocht, en beide landen waren daarin geenszins een uitzondering.

Uit een recente presentatie van Jean-Claude Juncker over de staat van de EMU bleek dat bijna alle eurolidstaten sinds de invoering van de euro de SGP-criteria een of meerdere jaren overtraden. Dat diezelfde Juncker, die als voorzitter van de Europese Commissie de afgelopen jaren diverse landen op de vingers tikte, met twee maten meet bleek duidelijk uit zijn recente uitspraak in een interview in de Franse pers, naar aanleiding van het feit dat Frankrijk niet aan het SGP voldeed. Het land hoefde zich volgens de Commissie-voorzitter niet strikt aan de regels te houden: ‘Omdat het Frankrijk is.’ Ter onderbouwing van dit oordeel stelde Juncker: ‘Fiscale regels moeten niet blind opgelegd worden.’

De gemaakte afspraken blijken in de praktijk nauwelijks af te dwingen. Maar er is nog een andere reden waarom het vertrouwen van het Nederlands kabinet in het huidige raamwerk voor de EMU onterecht is. De afgelopen jaren bleek namelijk dat ook landen die zich wel netjes hielden aan de SGP-normen in grote problemen konden komen. Bijvoorbeeld Spanje, dat voor de crisis ruimschoots aan de criteria van het SGP voldeed. Het land had een overschot op de begroting (waar het SGP een grens van drie procent tekort hanteert) en een staatsschuld van 35 procent van het bbp, ruim onder de zestig-procentdrempel. Ook Ierland voldeed volgens Eurostat in de jaren voor de crisis keurig aan de SGP-criteria, maar kwam desondanks in grote moeilijkheden.

Een kritisch, open debat hierover wordt niet alleen door politici tot nu toe vermeden, ook in Haagse ambtenarenkringen lijkt het onderwerp nog taboe. Het ministerie van Financiën was tot op heden onbereikbaar voor commentaar aangaande de laatste politieke ontwikkelingen in Parijs, Berlijn en de eurogroep. Voorzover bekend heeft ook geen enkel economisch beleidsinstituut noch de academische wereld zich al serieus gebogen over de vraag wat de orde van grootte van de Nederlandse bijdrage aan een fiscale unie in diverse scenario’s zou kunnen worden.

Voor het debat over de toekomst van de euro en de verhouding van Nederland tot de emu is onderzoek naar de kosten/baten-vraag van fundamenteel belang, zowel voor tegenstanders als voor voorstanders van het project. Van der Kwaak heeft daarom een eerste aanzet gedaan, opnieuw door naar de VS te kijken. ‘Er zijn staten, zoals New York en Illinois, die jaarlijks gemiddeld meer dan vier procent van hun bbp aan Washington afdragen, met als absolute uitschieters Minnesota en Delaware die jaarlijks negen respectievelijk tien procent van hun bbp afstaan. De gemiddelde nettobetaler in de Amerikaanse fiscale unie maakte tussen 1990 en 2009 per jaar gemiddeld zo’n drie procent van het bbp van de staat aan Washington over. Deze transfers financieren een federaal Amerikaans budget dat zo’n twintig procent van het Amerikaanse bbp bedraagt.’

Een equivalent eurozonebudget zou neerkomen op een bedrag van zo’n tweeduizend miljard euro per jaar, denkt Van der Kwaak. ‘Hoewel een dergelijk bedrag op dit moment niet aan de orde is, is de Franse president Macron aan het lobbyen voor een eurozonebudget van enkele honderden miljarden euro’s per jaar. Procentueel zou dat neerkomen op ongeveer een kwart van het federale budget van de VS. Ervan uitgaande dat Nederland nettobetaler wordt en een gemiddelde nettobijdrage van 0,75 procent van het bbp zal gaan leveren (een kwart van wat de gemiddelde nettobetaler in de VS afdraagt), zou dat neerkomen op een structurele netto afdracht van ongeveer vijf miljard euro per jaar’, zo becijfert de econoom.

Hij benadrukt hierbij dat er wel meer onderzoek nodig is voordat er harde conclusies kunnen worden getrokken. Om welke concrete bedragen het zal gaan, zal afhangen van hoe de fiscale unie in Europa er uiteindelijk gaat uitzien, op welke terreinen een gemeenschappelijke begroting wordt ingevoerd en welke omvang die zal krijgen. Ook belangrijk is de vraag hoe ver men in Europa uiteindelijk wil gaan in de collectivisering van schulden.

Te verwachten valt dat een gemeenschapsbudget voor de eurozone relatief klein zal beginnen, bijvoorbeeld met een gemeenschappelijk investeringsfonds en een Europese werkloosheidsverzekering, twee van de voorstellen die momenteel circuleren. Het verleden leert echter dat we de kracht van de Europese salamipolitiek niet moeten onderschatten. In het verdrag van Maastricht werd afgesproken dat landen nooit een bail-out zouden krijgen, inmiddels hebben we een esm waarin zo’n zevenhonderd miljard euro zit om landen in crisistijd te steunen. Ook werd afgesproken dat de ecb niet op grote schaal staatsobligaties zou kopen, al helemaal niet om landen overeind te houden. Inmiddels heeft de ecb echter het omt-programma (Outright Monetary Transactions) opgetuigd waarin het in een eventuele crisis onbeperkt staatsobligaties zal opkopen als landen aan ‘bepaalde voorwaarden’ voldoen.

De geschiedenis van de eurozone laat keer op keer zien dat de bestaande afspraken niet voldoende blijken om de muntunie overeind te houden, en dat daarom de regels en de budgetten telkens moeten worden opgerekt. Met deze historie in het achterhoofd is het dus allerminst zeker dat de grenzen van een kleine begroting voor de eurozone, met een budget van zeg enkele tientallen of honderden miljarden euro’s, bij nieuwe crises niet opnieuw fors zullen worden opgerekt.

Europa kent een lange geschiedenis van transferunies, op nationaal niveau. Sinds de Tweede Wereldoorlog ontvangt de Italiaanse Mezzogiorno (het zuiden) jaarlijks gemiddeld tien procent van haar bbp netto vanuit Rome; Oost-Duitsland ontvangt sinds de hereniging in 1990 jaarlijks twintig procent van zijn bbp vanuit West-Duitsland. Of dit een probleem is, is volgens Van der Kwaak geen economisch maar vooral een politiek vraagstuk. ‘Het hangt af van de onderlinge solidariteit tussen de burgers binnen de unie, en van de vraag of zij zich in de eerste plaats met het federale niveau of met het lokale niveau identificeren. In Nederland bijvoorbeeld hebben we weinig zicht op de vraag of de ene provincie structureel meer afdraagt dan de andere, en politiek is deze vraag op dit moment totaal niet relevant. We zijn in de eerste plaats Nederlander.’

Dat het ook anders kan, blijkt in België. ‘Vlamingen identificeren zich in de eerste plaats als Vlaming en pas in tweede instantie als Belg. De netto betalingen van Vlaanderen aan Wallonië zijn om die reden al jaren een groot politiek probleem en zorgen voor continue sociale en politieke spanningen, met alle negatieve gevolgen van dien.’

Uiteindelijk is de toekomst van de Europese Monetaire Unie een politieke vraag en de uitkomst kan grote gevolgen hebben, economisch, sociaal en politiek. De Nederlandse regering doet er daarom goed aan om, juist wanneer zij een pro-Europese koers wil varen, te stoppen struisvogelpolitiek te voeren. Laat zij de economische feiten en bovenal de politieke ontwikkelingen in Europa onder ogen zien; en laat haar actief deelnemen in een van de belangrijkste onderhandelingen die de komende jaren in Europa gevoerd zullen worden.


Dit verhaal kwam mede tot stand met steun van Fonds 1877