Ontsporing van geweld: Het Nederlands-Indonesisch conflict

Ongemakkelijke waarheid

In oktober 1946 ontmoetten de 21-jarige Jacques van Doorn en de 20-jarige Wim Hendrix elkaar in de Tapijn-kazerne in Maastricht. Beiden zaten daar als dienstplichtig militair. In mei 1947 werden zij in die functie naar Nederlands-Indië gestuurd. Onderweg, op de boot, werden ze vrienden – voor het leven. Kort na hun aankomst begon de eerste politionele actie. Tijdens die actie vonden geweldsexcessen plaats die de twee jonge mannen (en velen met hen) stevig achter het oor deden krabben. Kon dit wel? Mocht dit zomaar? Waarom gebeurde het? De meeste betrokkenen besloten op de lippen te bijten. Van Doorn en Hendrix deden het tegenovergestelde. In augustus 1948, een jaar na de eerste actie en op het moment dat het gerucht ging dat een tweede actie op stapel stond, startten zij een onderzoek. Van Doorn ontwierp een formulier met zo’n vijftig vragen. Hendrix zorgde ervoor dat die beantwoord werden. Vervolgens zou Van Doorn de antwoorden op een rij zetten, analyseren en evalueren.

Het kwam er niet van. Toen het tweetal in 1950 naar Nederland terugkeerde en belangstelling voor hun werk probeerde te krijgen, stuitte het overal op dichte deuren. Het materiaal belandde op de plank. Het duurde tot na het beruchte tv-interview met Joop Hueting in 1969 dat het tweetal het verwerkte tot een boek: Ontsporing van geweld: Het Nederlands-Indonesisch conflict. Het verscheen in 1970 en wordt tegenwoordig zonder voorbehoud als een standaardwerk erkend, vooral door de wijze waarop Hendrix en Van Doorn het onderwerp analyseerden: niet emotioneel en gericht op incidenten maar analytisch en, als je het zo mag noemen, ‘structuralistisch’: met aandacht voor de structuren waarbinnen de gebeurtenissen zich afspeelden. ‘Vóór de Tweede Wereldoorlog kende de kolonie een beperkt westers systeem van sociale controle’, staat er. ‘Fysieke dwang was uitzonderlijk, vergeleken bij zelfnormering en zelfordening. Het Nederlandse gezag werd nog aanvaard. Na 1945 is de toestand ingrijpend veranderd. De vanzelfsprekendheid van het Nederlandse gezag is in aanzienlijke mate verdwenen; de legitimiteit ervan wordt sterk bestreden. Dit betekent dat de indirecte beheersingselementen in betekenis zijn verminderd. Het gezag valt bij gebrek aan algemene aanvaarding terug op macht, en de macht grijpt naar het middel van geweld. Zo krijgt het geweldsapparaat bij uitstek, het leger, een hoofdrol.’

Anders dan in de meeste verhalen over geweldsexcessen in voormalig Nederlands-Indië gaat de analyse van Van Doorn en Hendrix niet over individuele gevallen. Vanzelfsprekend erkennen zij dat het altijd individuen of groepjes zijn die handelen, het zijn situaties, structuren en omstandigheden die deze handelingen mogelijk maken of zelfs bevorderen. Cruciaal in dit geval, zeker in Van Doorns ogen, is wat in de laatst geciteerde zin ook met zoveel woorden wordt gezegd: dat het leger bij uitstek een gewelds­apparaat is en dat excessen welhaast onvermijdelijk zijn als een dergelijk apparaat het voor het zeggen krijgt. Dit laatste, aldus Van Doorn en Hendrix in het centrale hoofdstuk, is een waarheid die men zeker in een burgerlijke cultuur als de Nederlandse liever niet onder ogen ziet. Dit komt doordat men weigert geweld als maatschappelijk verschijnsel te erkennen – wat te meer hypocriet is omdat men wel een geweldsinstituut in leven houdt. ‘Deze gelijktijdige erkenning en ontkenning van hetzelfde verschijnsel leidt tot een aantal ontsnappingen, met als meest succesvolle het plaatsen van een stilzwijgend taboe over het gewelds­verschijnsel. De burger kan nu rustig slapen; het leger, deels heroïsch opgesierd, deels abstract gemaakt, deels onzichtbaar geworden, kan zonder verdere ongerustheid aanvaard worden.’ In zoverre behandelde men geweld zoals seksualiteit in het Engeland van Victoria behandeld werd, schrijft het tweetal: als een fenomeen dat niet bestond omdat er niet over gepraat werd. In dit geval was die ontkenning vooral gewenst omdat men het conflict eigenlijk via praten en pressie wilde beslechten. Vandaar ook de verhullende term politionele actie. Het geweld werd verder ontkend omdat het niet paste bij de Nederlandse koloniale traditie van zogenoemde ethische politiek. Daarin stond humanitaire actie voorop. En tot slot was er de kern van de zaak: dat Nederland een kleine, burgerlijke, bescheiden handelsnatie was en ook wilde zijn. Zo’n natie gebruikt geen geweld. En als ze dat onverhoopt toch doet, dan is de oplossing simpel: verzwijgen, ontkennen, de ogen sluiten. De gevolgen waren dubbel dramatisch omdat ontkenning niet alleen tot meer geweld leidde dan noodzakelijk was, maar ook nog eens veel persoonlijke en maatschappelijke frustratie opleverde. Vandaar de laatste, wat cryptische zin van de studie van Hendrix en Van Doorn: ‘Als we nu al te klein zijn om de werkelijkheid van het geweld te erkennen, zullen we dan zeker niet te klein zijn om de werkelijkheid van de geweldloosheid te dragen?’ Deze opmerking is alleen begrijpelijk vanuit de sfeer waarin het boek geschreven werd, aan het eind van een woelig decennium en op een moment dat pacifisme een niet onaanzienlijk deel van de jongeren en intellectuelen in de ban had (‘make peace not war’). De bekentenissen van Joop Hueting pasten volgens Hendrix en Van Doorn in hetzelfde sfeertje. Ze moesten er weinig van hebben, nog minder dan van de hypocriete geweldsontkenning. Het maakt hun boek tot een prachtig stuk evenwichtskunst.