Ongenadig boos, maar ook mild

José Saramago, De andere kant. Persoonlijke observaties over wereldpolitiek en andere zaken. € 19,95

Merkwaardige man, die Saramago. Hij is 87 en heeft (naar eigen zeggen) wat kwaaltjes; hij heeft de Nobelprijs gewonnen, dus in feite zou hij nooit meer iets hoeven schrijven, want in het pantheon komt hij toch wel (de altijd kritische Harold Bloom noemt hem ‘de meest getalenteerde nog levende romanschrijver (…) een van de laatste titanen van een uitstervend literair genre’) en ineens blijkt hij een blog bij te houden waarin hij uithaalt naar zo ongeveer iedereen en waarmee hij van allerlei kanten polemiek en verkettering over zich afroept - meestal niet eens zozeer omdat hij dingen zegt die hij niet zou moeten zeggen, maar omdat hij niet de tijd neemt om zijn woorden zorgvuldig te wegen - en wellicht is dat juist zijn bedoeling.
Hè? Hij? Hij die zó zorgvuldig omspringt met zijn interpunctie dat hij die bijna helemaal elimineert; hij die in zijn morele en sociale kritiek het probleem nooit rechtstreeks bij de kop vat, maar het poëtisch benadert en er in fantastische en allegorische bewoordingen over schrijft, zodat de lezer (zelfs al vermoedt die wel dat de te fabula narratur) zijn uiterste best moet doen om te begrijpen wat de moraal van het verhaal is; hij die - zoals in zijn roman De stad der blinden - de lezer laat ronddwalen in een melkwitte mist, waarin zelfs de, overigens zeer spaarzaam gebruikte, eigennamen geen duidelijk herkenbaar signaal afgeven; hij die in De stad der zienden door middel van raadselachtige blanco stembiljetten politiek stelling neemt?
En deze fantasierijke schrijver, die zo kwistig is met metaforen, vertelt ons even achteloos dat Bush een ongelooflijke onbenul is? Een man die wartaal uitslaat en geen gelegenheid voorbij laat gaan om te blunderen, een cowboy die denkt dat de wereld een kudde koeien is, áls hij überhaupt al denkt (in de verheven zin van het woord)? Een slecht geprogrammeerde robot die de boodschappen die hij heeft opgeslagen voortdurend door elkaar haalt, een dwangmatig leugenaar, coryfee van al die andere leugenaars die hem in zijn laatste ambtsjaren hebben toegejuicht en slaafs hebben gediend? Deze fijnbesnaarde verteller van parabels bezigt niet mis te verstane termen wanneer hij de eigenaar beschrijft van de uitgeverij die zijn werk publiceert? Deze notoire atheïst, voor wie God 'de stilte van het universum’ is en de mens 'de schreeuw die zin geeft aan die stilte’, voert zelfs God weer ten tonele om zichzelf de vraag te kunnen stellen wat Hij van Ratzinger denkt? Deze (nog altijd onwrikbaar militante) communist schreeuwt van de daken dat 'links werkelijk niet het flauwste benul heeft van de wereld waarin het leeft’ en beklaagt zich dan ook nog dat hij daar geen reactie op heeft gekregen (een royement bijvoorbeeld, of op zijn minst excommunicatie)? Deze man loopt het risico beschuldigd te worden van antisemitisme omdat hij de politiek van de Israëlische regering heeft bekritiseerd en daarbij, in zijn razernij over het ellendige lot van de Palestijnen, domweg heeft vergeten te vermelden - zoals dat in een evenwichtige analyse hoort - dat er ook nogal wat mensen zijn die het bestaansrecht van Israël ontkennen? Maar niemand beseft dat wanneer Saramago het over Israël heeft, hij aan Jahweh denkt, aan die 'rancuneuze en wrede god’, en dat hij in die zin even anti-Arisch en antichristelijk als antisemitisch is, aangezien hij bij élke godsdienst probeert zijn rekening te vereffenen met God (of hoe die in verschillende talen ook heten mag), aan wie hij overduidelijk een bloedhekel heeft. En een bloedhekel hebben aan God is beslist een motief om razend te worden op iedereen die zich achter Hem verschuilt.

Omdat de romancier Saramago zijn woorden altijd zorgvuldig weegt, zou hij moeten weten dat de ene belediging de andere niet is. Ik citeer (uit mijn hoofd) Borges, die (misschien uit zijn hoofd) dr. Johnson citeerde, die de man citeerde die zijn tegenstander als volgt beledigde: 'Mijnheer, onder het mom dat ze een bordeel drijft, verkoopt uw vrouw smokkelwaar.’ De blogger Saramago windt er echter geen doekjes om, hij zegt waar het op staat, en als dagelijks commentator van de hem omringende werkelijkheid revancheert hij zich voor alle onbestemde beklemming in zijn vertellingen.
Saramago’s militante atheïsme is al genoemd. In feite is zijn polemiek niet tegen God gericht, want met zijn vaststelling dat 'Zijn eeuwigheid slechts die van een eeuwig niet-zijn is’, heeft hij eigenlijk alles al gezegd. Hij heeft het op religie in het algemeen gemunt (hetgeen precies de reden is dat hij van verschillende kanten wordt aangevallen, want God ontkennen mag iedereen, maar wie religie ter discussie stelt, zaagt aan de poten van sociale structuren).
Ooit heb ik me, aan het denken gezet door een van Saramago’s antireligieuze uitlatingen, verdiept in de betekenis van het beroemde marxistische adagium dat godsdienst opium van het volk is. Maar is het waar dat religies allemaal en te allen tijde deze virtus dormitiva bezitten? Saramago is herhaaldelijk fel uitgevallen tegen religie, die hij een bron van conflicten noemt: 'Geen enkele godsdienst, welke dan ook, zal mensen ooit nader tot elkaar brengen en met elkaar verzoenen; integendeel, religie is en blijft de oorzaak van onbeschrijflijk leed, van bloedvergieten, van het afgrijselijke lichamelijk en geestelijke geweld dat een van de meest duistere hoofdstukken vormt in de rampzalige geschiedenis van de mensheid’ (La Repubblica, 20 september 2001).
Elders concludeerde Saramago dat we 'als we allemaal atheïsten zouden zijn, in een vreedzamere maatschappij zouden leven’. Ik weet niet zeker of hij gelijk heeft, en het lijkt erop dat paus Ratzinger hier indirect op heeft gereageerd in zijn encycliek Spe Salvi, waarin hij schrijft dat het negentiende- en twintigste-eeuwse atheïsme, al heeft het zich gepresenteerd als een protest tegen het onrecht in de wereld en de wereldgeschiedenis, er juist voor heeft gezorgd dat 'uit die aanname de grootste wreedheden en schendingen van de rechtvaardigheid zijn voortgekomen’.
Misschien dacht Ratzinger aan goddeloze lieden als Lenin en Stalin, maar hij vergat dat op de nazi-vlaggen Gott mit uns geschreven stond, dat talloze aalmoezeniers de fascistische insignes zegenden, dat de massamoordenaar Francisco Franco - zijn tegenstanders waren natuurlijk ook geen lieverdjes, maar híj is per slot van rekening begonnen - zich liet inspireren door zeer religieuze beginselen en werd gesteund door de 'Strijders voor Christus Koning’, dat de inwoners van de Vendée die streden tegen de republikeinen (die zelfs een godin van de Rede in het leven hadden geroepen) bijzonder godvrezend waren, dat katholieken en protestanten elkaar jarenlang vrolijk hebben afgeslacht, dat zowel de kruisvaarders als hun tegenstanders gedreven werden door religieuze motieven, dat christenen aan de leeuwen werden gevoerd om de Romeinse godsdienst veilig te stellen, dat om religieuze redenen vele brandstapels zijn aangestoken, dat de moslimfundamentalisten, de plegers van de aanslagen op de Twin Towers, Osama bin Laden én de Taliban die de boeddha’s hebben opgeblazen allemaal uiterst gelovig zijn, dat India en Pakistan om religieuze redenen met elkaar overhoop liggen en ten slotte dat Bush met de kreet God bless America Irak is binnengevallen.
Hetgeen me op de gedachte bracht dat, als godsdienst al opium van het volk is, of was, ze misschien nog veel vaker de cocaïne van het volk is geweest. Ik denk dat Saramago dit met me eens zal zijn en schenk hem de definitie - en de bijbehorende verantwoordelijkheid.

De blogger Saramago is boos. Maar gaapt er echt zo'n kloof tussen het spuien van dagelijkse verontwaardiging over het vergankelijke en het schrijven van tijdloze 'zedenkundige werkjes’? Ik schrijf dit voorwoord omdat ik me realiseer dat mijn vriend Saramago en ik iets gemeenschappelijk hebben: we schrijven allebei boeken en verwoorden allebei onze maatschappijkritiek in stukjes voor een weekblad, stukjes die helderder en voor een breder publiek geschreven zijn. Er is me vaak gevraagd of ik de grotere thema’s uit mijn boeken nooit laat terugkeren in mijn columns. Nee, luidt mijn antwoord dan, de ervaring leert me (en dat geldt denk ik voor iedereen in een vergelijkbare situatie) dat juist de plots de kop opstekende ergernis, de satirische oprisping, de in een opwelling neergepende bijtende kritiek het beste materiaal oplevert voor een gedegener essayistisch of verhalend betoog. De dagelijkse stukjes vormen de inspiratie voor de werken met grotere diepgang, en niet andersom.
Mijns inziens blijft Saramago in zijn blogs voortdurend in contact met de wereld in al haar rampzaligheid, om er vervolgens met meer distantie en vanuit een moreel-poëtische invalshoek in zijn romans over te schrijven (waarbij hij die wereld soms erger afschildert dan hij is - al lijkt dat welhaast onmogelijk).
De vraag rijst: is deze meester van de filippica altijd zo laaiend? Ik denk dat er naast de mensen die hij haat ook mensen zijn van wie hij houdt, getuige de liefdevolle stukken over Pessoa (je bent Portugees of niet) of over Amado, Fuentes, Federigo Mayor en Chico Buarque de Hollanda, waaruit blijkt dat Saramago bepaald genereus is jegens zijn collega’s en respectvolle en tedere miniaturen van hen weet te schetsen.
En dan heb ik het nog niet (en zo zijn we weer terug bij de grote thema’s in zijn werk) over de momenten dat zijn betoog de analyse van de dagelijkse realiteit overstijgt en raakt aan grote metafysische vraagstukken, aan schijn en werkelijkheid, aan het wezen van de hoop, en de vraag hoe de dingen zijn als wij er niet naar kijken.
Want dan verschijnt de filosoof-verteller Saramago weer ten tonele, niet langer boos maar nadenkend, en onzeker. Maar ach, we vinden het ook niet erg als hij flink tekeergaat. Dat maakt hem sympathiek.

José Saramago
De andere kant. Persoonlijke observaties over wereld-politiek en andere zaken
Vertaald door Ruud Ploegmakers, Meulenhoff, 240 blz., € 19,95