Ongenadig ontroerend

De jury - bestaande uit Rob van Erkelens, Barber van de Pol, Marc Reugebrink en Jacq Vogelaar - koos dit keer Alejo Carpentiers Het koninkrijk van deze wereld tot boek van de maand. De bespreking van de andere kandidaten vindt u hiernaast.

HET IS EEN verrassing, deze nieuwe vertaling van Alejo Carpentier. Het leek immers of de uitgevers hun pogingen om de Cubaan aan de man te brengen hadden gestaakt. Aan erkenning heeft het hem nooit ontbroken, niet in zijn eigen taalgebied, waar hij 1977, drie jaar voor zijn dood, de Premio Cervantes ontving, en niet in het buitenland. Hij is veel vertaald en volop door critici bejubeld, maar hij bleef hier nagenoeg ongelezen.
Hopelijk vergaat het Het koninkrijk van deze wereld beter. De vertaling van Arthur H. Seelemann, voor mij een nieuwe naam, verdient het. Vertalingen vinden minder aftrek dan werk in de eigen taal, maar soms glipt er iets tussendoor dat geluk heeft. Mooi zou dat zijn, als dat vanuit Latijns Amerika, naast Márquez, nu eens niet Isabel Allende was, maar een stilistisch zwaargewicht als Carpentier. Hij behoort tot de allergrootsten.
DE EERSTE KEER dat ik op het fenomeen ramsj stuitte, was toen ik ooit in de stationsboekhandel De guillotine op de voorsteven, Carpentiers mooiste, in radicaal gedumpte staat zag liggen. Verramsjen was nog een schande en dat het juist dit juweel trof, maakte de onmacht in mij wakker die iedereen regelmatig gevoeld zal hebben als een lieveling voor anderen lucht bleek te zijn.
Genoemd boek, in het Spaans El siglo de las luces, is van 1962, maar werd in de jaren vóór de Cubaanse Revolutie geschreven. Het ventileert de eerder constaterende dan aanklagende stelling dat tegelijk met de rechten van de mens de guillotine haar intrede deed. Interessanter is dat het aanschouwelijk maakt hoe het gedachtengoed van de Verlichting de Caraïben infiltreerde. Het gaat dus om een historische maar wel nadrukkelijk kunstzinnige roman, want het is Carpentiers schilderende en tegelijk kloeke stijl die van het documentaire gegeven een literair meesterwerk maakt.
CARPENTIER werd in 1904 op Cuba geboren als kind van Frans-Russische ouders, maar hij vertrok in 1933 naar Parijs, na een korte gevangenschap wegens kritiek op de toenmalige bewindvoerder. In Parijs leerde hij het surrealisme kennen en dronk in één moeite door het hele Europese cultuurgoed in. Hij betoonde zich een universalist, net als Cortázar, Márquez en Borges, die eveneens in Europa hun leerschool hadden en de kans te baat namen van een afstand des te geboeider en betrokkener naar het eigen land of continent te kijken.
Later ging Carpentier naar Cuba terug om tijdens Castro opnieuw naar Parijs te vertrekken, deze keer als afgevaardigde van het Revolutionaire Regime, in dezelfde tijd dat Neruda dat was voor Salvador Allende, oom van de eerder genoemde Isabel. Dit verschijnsel, dat schrijvers voor hoge politieke of diplomatieke posten opgaan, zoals onlangs nog Vargas Llosa als kandidaat voor het presidentschap van Peru, is heel Latijns Amerikaans. Daar opereert nog wel eens een schrijver als ‘spreekbuis voor het volk’, een romantisch ideaal waar onze samenleving te individualistisch en te sceptisch voor is.
Carpentier was behalve literator ook een kenner van zowel de klassieke als de inheemse muziek, van de architectuur en van de antropologie. Uit die veelzijdige kennis putte hij op soms pioniersachtige wijze bij het maken van zijn boeken. Ik denk aan de musicologische inventarisatie in Heimwee naar de jungle van buiten de gebaande paden aangetroffen muziekinstrumenten. Het is maar één voorbeeld. Carpentiers boeken hebben stuk voor stuk die cultuurhistorische inslag, die je als lezer de indruk geven levende geschiedenis tot je te nemen.
Zijn belangrijkste werken naast de genoemde zijn, in Nederlandse vertaling, De methode, een van de vele Latijns Amerikaanse romans over dictatorschap, en Barokconcert. Dit laatste boek, een novelle, heeft meer dan de andere een fantastische inslag, want daarin stuit het trio Händel, Vivaldi en Scarlatti in Venetië op het graf van Strawinsky en op de begrafenis van Wagner. Wij weten dat dat niet kan, en Carpentier wist het natuurlijk ook.
Achter in de Nederlandse uitgave van Barokconcert is een essay opgenomen dat nog altijd stof doet opwaaien. In dat essay probeert Carpentier niets minder dan het wezen van Latijns Amerika en de Latijns Amerikaanse kunst te duiden, en hij komt tot de conclusie dat dat wezen barok is. Bij menig individu in menig land is van dat barokke weinig te merken, vandaar de protesten en polemieken die prompt losbarstten. Maar wat er ook tegen in te brengen valt, voor Cuba gaat Carpentiers these volmaakt op.
Alle grote schrijvers van Cuba - Lezama Lima, Cabrera Infante, Carpentier zelf - zijn barok en het verschijnsel gaat verder dan de literatuur. Kijk naar de tot op heden behouden gebleven, welhaast decadente, paleisachtige huizen van Havana en je ziet het. Of kijk naar de televisiebeelden vol bezwering, magie en bijgeloof, nu de Paus een bezoek brengt aan dat laat-communistische bolwerk en je ziet het opnieuw: dat is een barokke samenleving. Er valt veel te zeggen over het hoe en waarom in vergelijking tot andere barokuitingen in de wereld, en dat doet Carpentier uiteraard in zijn essay. De barok, per definitie veelvormig, erkent geen hiërarchie en heeft derhalve geen hart. Je kunt naar iets baroks kijken alsof het om pure uiterlijkheid gaat, wat mij ook overkomt bij de rijpe renaissance van Michelangelo. Maar in de beste gevallen is het juist of het hart overal zit, al ontglipt het je zodra je ernaar zoekt en zul je steevast je neus stoten tegen de uitgebalanceerde, gesloten contouren.
ZO IS HET ook bij Carpentier. Carpentier is een volmaakte mengeling van de conceptist en de culturanist, twee begrippen uit de - barokke - literatuur van de Spaanse Gouden Eeuw. Je kunt die geleerde woorden met enige goede wil vervangen door 'schoondenker’ en 'schoonschrijver’, maar dan is dat voorvoegsel 'schoon’ te interpreteren als bewust stijlmiddel, niet als opklopperij. Carpentiers werk bestaat uit vernuftig geïnterpreteerd historisch materiaal, en tegelijkertijd is het een uiting van estheticisme, met dat obstinate, muzikale ritme en die uit z'n voegen barstende weelde aan beelden.
De compositie van zijn boeken luistert nauw als bij muziek of architectuur en wekt door de minutieuze vertakkingen de indruk dat het zo en niet anders moest zijn, omdat dan de boel in elkaar zou donderen. Nergens vlakheid. Want goede barok staat voor hachelijke volte te midden van de leegte, niet voor lukrake mengeling of stapeling. Het is goud, geen klatergoud.
DE NIEUWE, gebonden uitgegeven vertaling, Het koninkrijk van deze wereld, speelt op Haïti. De Spaanse versie verscheen in 1949. Na een halve eeuw is te zien hoe latere schrijvers, die hem als kassucces hebben voorbijgestreefd, met name Márquez, aan Carpentier schatplichtig zijn. Het decadente van De herfst van de patriarch, het in de realiteit wortelende fantastische of magisch-realistische: het is hier allemaal al te vinden. Specifiek Carpentier is het voelbare concepticisme want ook dit is, de zinnelijke en kleurige aankleding ten spijt, een ideeënroman.
Centraal gegeven is de slavenopstand op Haïti na 1800 - de tijd van De guillotine op de voorsteven - en de wisseling van de wacht van Frans, via zwart naar mulatkleurig bestuur. De chaos rond de gebeurtenissen is totaal en wie er ook bestuurt, het lijkt lood om oud ijzer: de nieuwe machthebbers hullen zich net als de oude in de fijnste stoffen en dragen de Europese snufjes een warmer hart toe dan het wel en wee van hun onderdanen. De rede legt het met gemak af tegen de zinnen. De decadentie, de erotiek en de Afro-Cubaanse voodoo-magie druipen van de bladzijden. Een uitstapje naar Rome, dat we ook nog voor onze ogen zien opdoemen, doet iedere suggestie van folklore ook in geografische zin verdwijnen.
Het perspectief wisselt steeds, de beschrijvingen zijn tastbaar, de oorsprong is legendarisch: het is allemaal typisch Carpentier. Daarenboven is Het koninkrijk van deze wereld op een ongenadige manier ontroerend. Dit is paradoxaal gezegd, maar het is waar. Het boek is namelijk doordrenkt van de melancholiek stemmende, brechtiaanse wijsheid dat de tijden voorbijgaan, met of zonder geweld.