Ongeneeslijke weemoed

1940, de joodse wijk van Boekarest, Roemenië

Een paar adjectieven lijken onvermijdelijk in een bespreking van Sinds tweeduizend jaar: schokkend, persoonlijk en profetisch. Dit in 1934 verschenen boek – over het algemeen geldt het als een roman, gezien de dagboekachtige opbouw lijkt het woord ‘kroniek’ me eerder op zijn plaats – gaat over de opkomst van het populisme in Roemenië eind jaren twintig. Het antisemitisme verspreidt zich en wordt steeds heftiger zichtbaar, en de jonge, joodse ik-verteller kan er niet aan ontkomen: hij wordt bedreigd, uitgekafferd en in elkaar geslagen en zondert zich steeds meer af; hij gokt ook al heeft hij amper geld, kletst met halve vreemdelingen en volgt vrij intensief colleges rechten. Sinds tweeduizend jaar is het secuur opgetekende, chronologische verslag van deze jarenlange periode. Het verhaal van een jongeman die zich door de dagen heen ploetert en nergens aansluiting vindt, en intussen half-bewust best voorvoelt dat er een strijd aankomt waaraan hij zich niet kan onttrekken.

Tragisch, dat is nog een adjectief dat gemaakt lijkt voor Sinds tweeduizend jaar. Hoe nauwkeurig de Roemeense auteur Mihail Sebastian (1907-1945) doorzag wat er om hem heen allemaal veranderde. Hoe onopgesmukt hij het opschreef en hoe machteloos hij ondanks die scherpte bleef. De auteur moest stoppen met werken door antisemitische wetgeving. De oorlog overleefde hij zowaar, maar zelfs dat gegeven heeft naderhand iets tragisch gekregen: in 1945 al kwam Sebastian om bij een verkeersongeval. De belangrijkste vraag nu is natuurlijk: wat maakt dit in sommige kringen vrij klassieke boek, nu voor het eerst in het Nederlands vertaald, de moeite waard los van de historische context en vooruitziende blik die eruit spreekt?

‘Nog zo’n hoogdravende uitbarsting – en ik kap met dit dagboek’

Vooral het levendige karakter van de ik-verteller. Hij is scherp, schuw en kritisch, een echte jonge intellectueel die bijna alles beter weet, en interessant genoeg ervaart hij lang niet alleen weerzin voor degenen die hem als minderwaardig behandelen. Nee, de vele scheldwoorden en vechtpartijen ondergaat hij eigenlijk vrij kalm – mooi trouwens, de manier waarop Sebastian hierbij het geleidelijke normaliseringsproces van antisemitisme tijdens het interbellum toont: aan het begin van Sinds tweeduizend jaar wordt de verteller incidenteel geweigerd bij een college en wordt hij voor het eerst aangevallen bij de universiteit (waarna hij kenmerkend laconiek optekent: ‘Vandaag kreeg ik op college twee klappen en ik maakte acht bladzijden aantekeningen. Niet slecht, voor twee klappen.’) Aan het einde van de roman roepen mensen op straat zonder enige terughoudendheid dat joden dood moeten, en niemand doet er iets tegen.

Zulke passages zijn ontluisterend, zeker door de dagboekachtige toon: soms is Sinds tweeduizend jaar ineens alledaags, dan weer ontroerend, dan weer wat saai en dan weer vooral registrerend (met veel college-aantekeningen) – en boven alles is deze kroniek beklemmend realistisch, een geheel waarin geen scène geconstrueerd overkomt. En helemaal knap: Sebastian vervalt nergens in goed-en-kwaad-contrasten of hulpbehoevend slachtofferproza, wat zeker gezien het moment van schrijven voorstelbaar was geweest.

Ja, de dolende ik-figuur, zo duidelijk verwant aan schrijver Sebastian zelf, is slachtoffer van zijn tijd en het opkomende antisemitisme in Roemenië begin jaren dertig, maar tot mijn verbazing lijkt hij zich het meest ontheemd te voelen tussen andere joden. Die zoeken hem veelvuldig op in dit boek, knopen gesprekken aan over de joodse identiteit, willen elkaar beschermen – maar de verteller moet er niets van hebben. En in die stukken wordt Sinds tweeduizend jaar in zekere zin pas echt schokkend. De totale eenzaamheid. Het gebrek aan enig houvast, ook weer overtuigend opgeschreven. Als de verteller met enkele joodse leeftijdgenoten samenkomt bijvoorbeeld, dan noteert hij: ‘Ik speel met de gedachte om bij de eerste de beste gelegenheid iets grofs te zeggen, om duidelijk te maken dat zoals ik hier zit tussen tien mensen die me als een “lotgenoot” beschouwen, ik alleen ben, volkomen alleen, definitief alleen.’ Een andere passage: ‘Joodse nationale eenheid is een waanidee.’ En: ‘Hebben we niet zo vaak te horen gekregen dat we een smerig volk zijn? Misschien is dat wel zo. Misschien is onze mystiek, onze ascese, onze heiligheid dat: smerigheid.’

Sinds tweeduizend jaar is een plotloos geschrift dat juist door het gebrek aan structuur uitpuilt van ideeën en toonsoorten. Wat al die momenten en momentjes verbindt is het alsmaar ploeterende hoofdpersonage, iemand die allang doorheeft welke kant het met de wereld opgaat maar er niets aan kan veranderen, en zich intussen verzet tegen zijn slachtofferrol. Iemand die lijdt maar niet wil lijden, iemand die alleen scheldt als niemand hem hoort, alleen op papier. Iemand die gebukt gaat onder ‘ongeneeslijke weemoed’ en dat tegelijkertijd niet theatraal kan laten klinken, al is het maar omdat hij de schokkendste bespiegelingen doorbreekt met de meest uiteenlopende overpeinzingen: over colleges, over een kortstondige verliefdheid, over marxistische en zionistische ideeën die zijn pad kruisen, over de aard van zijn schrijven. ‘Als ik zou weten dat ik er iets mee opschoot, zou ik de eergisteren geschreven bladzijde eruit scheuren. Nog zo’n hoogdravende uitbarsting – en ik kap met dit dagboek.’ Gelukkig deed hij dat niet en schreef hij verder, en kunnen wij dit een kleine eeuw later lezen.