Nooit meer weg uit Tilburg

Ongepolijst, absurd en sociaal

Tilburg, ooit een vervallen zuidelijke industriestad, verrees in veertig jaar uit zijn as. Massatoerisme kent het echter alleen van horen zeggen. Behalve op Roze Maandag, wanneer de stad wordt overstroomd. Dan stopt ook het maawen.

De Spoorzone is een voormalige werkplaats van NedTrain. Nu is het terrein een broedplaats voor kennis en innovatie © Dolph Cantrijn / HH

Ik woon in Tilburg. Al veertig jaar. Het is een mededeling van totale irrelevantie. Toch voelt het nog steeds als een coming-out. Wie woont nu veertig jaar in Tilburg? Nooit was ik van plan om zo lang in deze Brabantse stad te blijven. Een paar jaar studeren, dan weer verder, de wijde wereld in.

Tilburg heeft veel om de krant mee te halen. Zo is het de op één na grootste stad van het zuiden én de woonplaats van Roy Donders, stylist van datzelfde zuiden. Tilburg is het epicentrum van de vaderlandse speed- en xtc-productie. Het plaatselijke carnaval joeg de landelijke coronacrisis aan. Nergens in Brabant ligt het inkomen per hoofd van de bevolking lager dan in Tilburg.

Een invloedrijke reisgids voor backpackers, The Rough Guide to the Netherlands, vat mijn stad als volgt samen: ‘Tilburg is een alledaagse industriële stad, het is een doolhof van negentiende-eeuwse huizen en anonieme moderne winkelstraten. De belangrijkste reden dat je er doorheen zult reizen, is op weg naar pretpark De Efteling. Eventueel bieden twee goede musea op loopafstand van het centraal station een omweg die de moeite waard is. Het verdere verkennen van de stad is niet nodig. Je mist er niets aan.’ Dat was het dan. En zo kennen we in Tilburg de term massatoerisme alleen van horen zeggen. Toch woon ik er al veertig jaar. En meer dan dat: ik wil nooit meer weg uit Tilburg.

Het is november 1982. Meer dan twee jaar studeer ik nu in Tilburg en sinds kort heb ik verkering met Eugenie. Ook zij studeert: piano aan het Brabants Conservatorium. Eugenie woont nog bij haar ouders. Het zijn de eerste volwassen Tilburgers die ik ontmoet. Want ik ken alleen nog maar andere studenten. Die komen overal vandaan, behalve uit Tilburg.

Eugenies vader leert me Tilburgse zinnetjes als ‘slaoj meej jèùn, meej aaj, meej èèrepel’ (sla met ui, met ei, met aardappelen). En het belangrijkste woord, dat ik volgens hem per se moet kennen, is ‘maawen’: verongelijkt mopperen, klagen en zaniken. Tilburgers doen niets liever dan maawen, zo houdt de vader me voor. Al hebben ze er misschien wel redenen toe.

Van maandag tot vrijdag ben ik student. Op zaterdag en zondag ga ik op verkenningstocht. Tilburg blijkt in twee stukken uiteen te vallen. Dwars door de stad loopt het spoor. En pal tegen dat spoor ligt aan de noordkant de ‘Verboden Stad’, een twee kilometer breed en hermetisch afgegrendeld industrieterrein waar de Nederlandse Spoorwegen treinen repareren. Daarnaast, in het verlengde van die Verboden Stad, ligt een enorm rangeerterrein.

Zelf woon ik aan de zuidkant van het spoor, in Sint Anna. Het is een wijk met kleine huisjes, dromerige straatjes en dorpse cafés. Aangrenzend liggen arbeiderswijken met bierdrinkende families op de stoep en morsige straten vol vervallen fabrieksgebouwen. Door kapotte ramen kijk ik in immense ruimten met plassen water, oude matrassen en ingezakte daken. Dan weer struin ik door regelrechte achterbuurten met muren vol prikkeldraad en dichtgetimmerde ramen. Van Eugenie’s vader leer ik over de reden achter het verval. De ooit zo bloeiende textielindustrie van Tilburg vertrok naar lagelonenlanden waarna de stad in een afgrond van armoede stortte. Sommige wijken, ‘Jeruzalem’ en de ‘Vogeltjesbuurt’, liggen er zo beroerd bij dat ze me doen denken aan getto’s uit Amerikaanse actiefilms. Een kanaal slingert doelloos de stad binnen, pakhuizen liggen dichtgetimmerd aan de kade, een hijskraan en een paar oude boten wachten op de sloop.

Op het vlakke centrale plein met de merkwaardige naam ‘de Heuvel’ staat een standbeeld van koning Willem II. In Tilburg had hij een buitenverblijf en bouwde hij een bescheiden paleis. Naar verluidt verzuchtte de goede man regelmatig: ‘Hier adem ik vrij en voel ik mij gelukkig.’ Pas veel later zal ik begrijpen wat hem tot die uitspraak bracht.

In de bibliotheek op het Koningsplein leen ik boeken over de geschiedenis van de stad. Tilburg, zo leer ik, was maar korte tijd welvarend. De stad had geen sterke burgerij, geen krachtige middenklasse. Tilburg bestond vooral uit boeren, arbeiders, fabrikanten en een ruim gesorteerde katholieke geestelijkheid. Anders dan weldadig oude zustersteden als Den Bosch, Breda of Turnhout, was Tilburg een verzameling gehuchten vol schapenboeren die in de Middeleeuwen de wol van hun dieren begonnen te verwerken tot textiel.

Pas in 1809 kregen we stadsrechten. Tijdens de industrialisatie groeiden de buurtschappen in elkaar. Waar het maar kon, zetten opkomende textielfabrikanten fabrieken neer, al bleven in de woningen van hun dagloners de weefgetouwen klapperen. Tilburg werd een rauwe, industriële stad vol stinkende sloten met afvalwater uit de fabrieken, rokende schoorstenen en een aantal imposante kerkgebouwen. Tussen talloze wevershuizen verrezen weldadige fabrikantenvilla’s, grenzend aan de achtertuinen van de arbeiders. Tuinen meej slaoj, meej jèùn, meej èèrepel. En met kippen, een geit en soms een varken.

Bij Eugenie is alles anders. Haar ouders wonen op stand, in een herenhuis aan het Sint Annaplein, pal tegenover een monumentaal pand waar ooit Vincent van Gogh op kamers zat. Ik kan de industriële omgeving, de verpauperde wijken, Vincent én Eugenie’s mooie grote huis niet goed samen denken. In haar woonkamer staan een platenspeler en een kast vol lp’s van onder meer Duke Ellington, Pee Wee Hunt en een aantal Tilburgse jazzorkesten die me niets zeggen. Een daarvan is het Vaalbleek Cleansing Department Orchestra. Dat is een amateurorkest, zo vermoed ik, samengesteld uit mannen die werken bij de gemeentereiniging. Het ligt anders. Vaalbleek, zo legt Eugenie uit, is geïmproviseerde muziek. De bandleden zijn Tilburgse muzikanten, afkomstig uit de rock, jazz en klassieke muziek, onder wie Eugenie’s pianodocent Willem Kühne.

Voorzichtig haalt mijn vriendin het vinyl uit de hoes, legt het op de draaitafel en laat de naald zakken. Een bas wandelt zelfverzekerd door de kamer, Kühne’s piano vult hem aan, een blazerssectie zet korte frases neer. Dan derailleert een tenorsax en belandt al na enkele minuten in een staat van complete waanzin. De bas en piano versnellen, duwen de sax terug, de hele blazerssectie komt overeind, vertraagt en speelt een wiegelied. Onverwacht snerpt een elektrische gitaar door de melodie, onheilspellend ratelen drums. Trompet en trombone gaan er nu vandoor, tot de muzikanten elkaar, en naar het lijkt volkomen onverwacht, weer in de armen vallen. Na dit eerste nummer _‘Flattery in All Keys’ _luisteren we naar de hele lp.

Na drie kwartier ben ik warm van opwinding. Vervolgens wellen tranen. Tempo, frasering, toonsoort, melodie: nooit eerder hoorde ik zo’n gelaagdheid en zoveel afwisseling op een en dezelfde langspeelplaat. Maar belangrijker nog: nooit eerder raakte muziek me zo in het hart. Meer dan ooit had ik het gevoel dat muziek samenviel met mijn dagelijkse omgeving. Vaalbleek vertelt een verhaal dat mij met deze stad verbindt.

Hoe verbind je Vincent van Gogh aan een ingestorte textielfabriek?

Ik heb een Tilburgse geliefde, zit naast een platenspeler in een Tilburgs huis, zie door de hoge ramen hoe een Tilburgse boom zijn bladeren verliest. Tilburgse voorbijgangers buigen tegen de wind. Een Tilburgse lijnbus rijdt voorbij. En ik besef dat ik vanaf nu anders, fundamenteel anders, naar Tilburg zal kijken. Dat ik de worsteling van deze stad met zijn chaos, bederf en variatie begin te begrijpen. En dat ik na twee jaar deel van de stad geworden ben.

De muziek van Vaalbleek maakt me nog nieuwsgieriger dan ik al ben. In Tilburg, met zijn verpauperde buurten en naargeestige fabrieksstaketsels, wonen en lopen dus jongens rond als tenorsaxofonist Henk Koekkoek en Paul van Kemenade, die zijn altsaxofoon laat huilen om een verdriet dat ik meteen associeer met de stedelijke aftakeling. Ergens in die wijken, voorbij het Sint Annaplein, wie weet in zo’n afbraakpand, oefenen trompettist Toon de Gouw, trombonist Hans Sparla en gitarist Peter Mingaars. Er moet een plek zijn waar slagwerker Frans van Grinsven zijn stokken breekt over de onmogelijke ritmes en waar bassist Niko Langenhuijsen, de leider van Vaalbleek, al zijn stukken schrijft. Hoe zien zijn partituren eruit? Hoe monteer je improvisatie op fabrieksgrond, combineer je hoop met verwording, verbind je Vincent van Gogh aan een ingestorte textielfabriek? Hoe bouw je zulke hemelse muziek uit een ratjetoe van geluid? Hoe geef je zo oneindig veel ruimte en vertrouwen aan je muzikanten? Hoe is het in godshemelsnaam mogelijk dat ik al twee jaar in deze stad woon en nog nooit van Vaalbleek heb gehoord?

Het is zomer 2020 en Tilburg is onherkenbaar veranderd. Het stadssilhouet van fabrieksschoorstenen en kerktorens is verdwenen. Voorzichtig groeit een skyline vol hoogbouw. Aandachtstrekker is Westpoint met 48 verdiepingen, dat ’s nachts oplicht in felle kleuren. Waar veertig jaar geleden nog vervallen fabrieken stonden, verrezen woonwijken. In een van de voormalige textielfabrieken zit nu het TextielMuseum, in een andere De Pont, een museum voor hedendaagse kunst. De stad onderging een transformatie die ik veertig jaar geleden voor onvoorstelbaar had gehouden.

De Nederlandse Spoorwegen zijn uit de Verboden Stad vertrokken. Het gebied dat ze tjokvol industriële architectuur achterlieten, heet nu de Spoorzone. En in die Spoorzone wemelt het van kleinschalige initiatieven. Restaurants, een muziektheater, media. Tijdens een ‘theatrale Spoorzonereis’ leiden kleinkunstenaars bezoekers langs en door de Smederij, de Wagenmakerij, de Houtloods, het Ketelhuis en de Polygonale Hal.

De voormalige Locomotiefhal met kranen waaraan ooit complete treinen bungelden, veranderde in een overrompelende bibliotheek. In 2019 werd deze LocHal verkozen tot ‘World Building of the Year’. Een burgerinitiatief veranderde het oude rangeerterrein naast de Spoorzone in het tien hectare grote Spoorpark, compleet met een ‘outdoor urban sports park’, beachvolleybalveld, T-Huis, stadscamping en panoramatoren. Ook het dode kanaal met zijn vervallen pakhuizen en roestende boten, keerde zich naar de stad. De Piushaven kreeg woontorens, cafés, restaurants, een stadsbrouwerij en terrassen aan het water. In het hart van Tilburg liggen Popcentrum 013, jazzcafé Paradox en het Kunstcluster, met onder meer een Dansacademie, Circusacademie en Rockacademie.

In de zomer, buiten coronatijd, verandert de binnenstad tien dagen lang en met meer dan een miljoen bezoekers in de grootste kermis van de Benelux. Op Roze Maandag is het kermis voor lhbtqia+’ers. Na Pride Amsterdam is Roze Maandag met zijn driehonderdduizend gasten het grootste homo-evenement van Nederland.

De opmerkelijke uitdagingen van de stad – het epicentrum van de vaderlandse speed- en xtc-productie of de lage inkomens van nogal wat inwoners – zijn problemen die links- of rechtsom zullen worden opgelost. Bovendien merk je er in het dagelijks leven weinig van. In de top-tien van steden met vuurwapenincidenten laat Tilburg aanmerkelijk kleinere plaatsen als Nijmegen, Apeldoorn of Breda rustig voorgaan. En ondanks de vele lage inkomens komt Tilburg niet voor in de cbs-top-tien van gemeenten met langdurig lage inkomens.

Een competent en breed samengesteld college van GroenLinks, d66, cda, vvd plus een partijloze wethouder voert een uitgesproken sociaal beleid. Daarbij weet het zich gesteund door een opvallend groot aantal sociale ondernemingen. Sarban, een door Afghaanse vluchtelingen opgezet restaurant, hielp meer dan driehonderd minderjarige vluchtelingen uit Syrië, Eritrea of Afghanistan op weg in de Brabantse samenleving. ‘Prins Heerlijk, eten en drinken’ verzorgde voor bijna zevenhonderd jongeren met een beperking een mbo-opleiding, gevolgd door een baan in de zorg of horeca . In ‘Het Ronde Tafelhuis’, opgezet door een katholieke parochie om de vele religies in de stad met elkaar in contact te brengen, houden Ghanese Pinksterkerken, Somalische moslims en Tilburgse katholieken hun vieringen.

En dan is er nog de ‘Quiet Community’, in 2013 begonnen met een glossy, de Quiet 500, als een reactie op de Quote 500. Maar in de Tilburgse glossy ging het niet over het luidruchtige leven in overvloedig Nederland maar over het stille bestaan van de allerarmsten in ons land. Met de Quiet 500 gaven sociaal ondernemer Ralf Embrechts en auteur A.H.J. Dautzenberg de stille armoede in Nederland niet alleen een gezicht, met het blad trokken ze ook de aandacht van miljonairs uit de Quote 500. Met twee van deze miljonairs startten zij de Quiet Community, die zich inmiddels in tien zuidelijke steden inzet voor de ‘verzachting’ van de armoede onder kinderen.

Zo onderging Tilburg in veertig jaar een transformatie. Maar ‘mooi’ kun je de stad nog steeds niet noemen. Eenheid in vorm en stijl is ver te zoeken. Afgezien van een handjevol negentiende-eeuwse straten en lommerrijke buitenwijken, vindt het oog maar amper rust. Tilburg is en blijft een ratjetoe van stijlen, projecten en gebouwen, al spreken sommigen liever van een stad vol ‘archipunctuur’, vol hoogwaardige architectonische injecties in een chaotische omgeving.

Welk rijtje met ‘bijzondere’, ‘aantrekkelijke’ of ‘spannende’ Nederlandse steden je op internet ook aanklikt, Tilburg tref je er niet in aan. Ook na veertig jaar herinnert Tilburg nog aan de improvisatie van het Vaalbleek Cleansing Department Orchestra. Een ongepolijste stad waar in de straten, pleinen en buurten doorlopend nieuwe geluiden, ritmes, melodieën en toonsoorten opdoemen, die elkaar dan toch weer, even onverwacht als onontkoombaar in de armen vallen.

Een Turkse winkel in Tilburg-Noord © Ton Toemen / HH

In 2011 is het plots het gesprek van de dag: de trailer van Tilburg, zand erover, een korte film van het Tilburgse absurdistische kunstenaarsduo Leonard & Jeroen. In twaalf minuten nemen deze Leonard (Bedaux) en Jeroen (Opstelten) hun geboortestad op de hak. Eerst zien we Leonard & Jeroen in de weer op de Amsterdamse Dam. Daar proberen ze voorbijgangers voor Tilburg te interesseren. Op hun rug dragen ze enorme rode en blauwe vlaggen met de T van Tilburg, het logo van de stad. Ze willen folders over Tilburg uitdelen, maar er is niemand die ze van hen aanneemt.

‘Stel dat je voor het stoplicht staat en wordt ingehaald door een rijtjeshuis. Humor’

Vervolgens keren de jonge mannen terug naar Tilburg en zien we opnamen van een winterse, grauwe en mistige stad. Tilburg ligt erbij als Warschau of Kaliningrad in de Koude Oorlog, vol samengedrongen flats, grijze tunnels en ijzige industrieterreinen. Leonard & Jeroen zijn de enige passagiers in een toeristenbus die over troosteloze parkeerplaatsen rijdt. Ze lopen langs een metershoge muur waarachter zich het Tilburgse stadhuis bevindt en staren voor zich uit op bankjes in het kille centrum. In een eindeloos saaie straat bezorgen mannen kranten per bromfiets en stappen bij elke huisdeur af en weer op. Toeristen in lange jassen nemen foto’s van de meest afzichtelijke gebouwen die Tilburg rijk is. Op de achtergrond gromt commentaar in het Russisch, de muziek is slepend en het effect hilarisch.

Tilburg, zanderover legt iets bloot waar veel Tilburgers over maawen. Dat de stad nog steeds het imago draagt van een grauwe industriestad; dat na het dramatische vertrek van de textielfabrieken inderdaad veel werd gerepareerd, maar dat die nieuwbouw het er niet per se beter op maakte. Dat de rokerige fabrieken weliswaar verdwenen, maar dat de stad nog steeds niet kan wedijveren met Den Bosch of Breda.

Toch is Tilburg, zand erover niet zozeer een kritische film over Tilburgse architectuur of stadsplanning. Leonard & Jeroen lijken vooral de draak te steken met hun stadsgenoten; met hun geklaag en gemopper, met hun onwil of onvermogen om te zien wat er in die jaren wél is bereikt. Tilburg, zand erover is meer dan absurdisme. De korte film is in de eerste plaats zelfspot, een subliem commentaar op het doorlopende gemaaw van mede-Tilburgers.

Absurd en vol zelfspot was ook Metröality, een kunstwerk van Marry Overtoom aan de noordkant van het Tilburgse gemeentehuis tussen 1996 en 2016. Metröality bestond uit een drietal namaakmetrostations, compleet met plattegrond en luchtrooster. Wie op zo’n rooster stapte om de plattegrond te bestuderen, hoorde onder zijn voeten het onmiskenbare geluid van een aankomende en weer vertrekkende metro. Vanzelfsprekend heeft Tilburg geen metro, Tilburg heeft zelfs geen tram of trolleybus.

Wie niet beter wist, bleef echter gedesoriënteerd achter. Waar was in godsnaam de ingang van het metrostation waar de plattegrond, het luchtrooster en het onmiskenbare geluid naar verwezen? Ook wie wel beter wist, voelde zich door het kunstwerk in de maling genomen. Want hij realiseerde zich dat zijn stad het qua openbaar vervoer niet verder had geschopt dan de stadsbus en een treinverbinding van twee sporen. Net als Zand erover zat ook Metröality tjokvol zelfspot. Door zo opzichtig te spelen met een fenomeen uit grote steden als Rotterdam en Amsterdam kon de Tilburger niet anders dan grimlachen om het provincialisme van zijn stad.

Zelfspot vermoed ik ook in het bekendste kunstwerk van Tilburg, het draaiende huis van John Körmeling op de Hasseltrotonde. De levensechte, tien meter hoge en foeilelijke doorzonwoning staat inclusief voor- en achtertuintje op rails en draait eens in de twintig uur een rondje. Maar weinig Tilburgers hebben een idee waarom Körmeling juist zo’n onooglijk pand op de rotonde zette. Laat staan waarom het daar zo pontificaal ronddraait. Het officiële antwoord dat het ding ‘symbolisch de voor Tilburg zo kenmerkende lintbebouwing herstelt’, nemen de meeste Tilburgers met een korrel zout. Waarschijnlijk is de beste verklaring de motivering die Körmeling ooit zelf gaf. Aanvankelijk wilde hij het huis met dezelfde snelheid als het verkeer over de rotonde laten razen: ‘Stel je voor dat je voor het stoplicht staat en wordt ingehaald door een vrijstaand rijtjeshuis. Dat is toch humor?’

En dan is er nog de Maawmuur, een enorm stalen gevaarte van vier meter hoog en veertig meter breed, ditmaal aan de zuidkant van het gemeentehuis. Deze Maawmuur bestaat uit roestige en met klimop begroeide letters die samen de zin vormen: ‘wie geen fouten maakt, maakt meestal niets’. De Maawmuur werd ontworpen door Miranda Poel en in 2012 neergezet als Tilburgse variant op de Klaagmuur in Jeruzalem. De stalen tekst van Poel wijst erop dat er in Tilburg wellicht wat te veel en te vaak wordt gemaawd. Maar ook dat je je door die verongelijkte mopperaars niet uit het veld moet laten slaan. Vooruitgang gaat nu eenmaal gepaard met het maken van fouten. Het levende groen rond de letters lijkt te suggereren dat al dat gemaaw ook productief kan zijn. Dat een stad waarin veel wordt gebromd, geknord en gemord ook een grillige en dynamische stad is. Maawen houdt je scherp.

In november 1982, na het luisteren van Vaalbleek in Eugenie’s woonkamer aan het Sint Annaplein begin ik te vermoeden dat Tilburg ook mijn stad zal zijn. In november 1984 beleef ik mijn coming-out als ware Tilburger. Dan treedt Vaalbleek met vier andere Tilburgse bands op in Noorderligt, een theater dat later over zal gaan in poppodium 013. Het orkest heeft inmiddels een tweede en ronduit spectaculair album afgeleverd: Doka Bonga. Een plaat waarop de bas van Niko Langenhuijsen nog indringender deint en dreigt, de alt van Paul van Kemenade weent en jankt. Het album is zo gelaagd dat ik er tot op de dag van vandaag nieuwe verhalen in ontdek.

Veel hangt van dit optreden af. Want niets minder dan de Nederlandse Omroep Stichting, de nos, is van zins Tilburg aan te doen. Met camera’s en geluidsapparatuur zal het achtereenvolgens de Waal, de Maas én het Wilhelminakanaal oversteken om het Vaalbleek-concert voor de nationale televisie te registreren.

Met mijn fascinatie voor de Tilburgse geïmproviseerde muziek heb ik inmiddels heel wat vrienden besmet. En terwijl de technici van de nos nog bezig zijn hun apparatuur op te bouwen, zitten we al op de eerste rij voor wat ongetwijfeld Vaalbleeks Nederlandse doorbraak zal worden. Benieuwd zijn we bovendien naar ene Candy Dulfer. Want uit Amsterdam zal ook de vijftienjarige en saxofoon-spelende dochter van Hans Dulfer naar Tilburg afreizen. Ergens in het programma zal het meisje een stukje meeblazen.

Het Gemeentereinigingsorkest zet stevig in. Even verlegen als hartstochtelijk bouwen ze Langenhuijsens stukken uit. Flarden salsa en reggae verknopen zich met barokke intermezzo’s, free jazz en ontsporende solo’s. De zaal trilt en zindert. En toch ben ik er met mijn hoofd niet bij. Want ik word afgeleid door de cameramannen en geluidsmensen van de nos. In plaats van het concert op te nemen, zitten ze op de rand van het podium en roken ze een sigaret.

Ik begrijp er niks van. Toe nou, denk ik. Kom op jongens, zo meteen is alles weer voorbij. Je kwam toch niet naar ons toe om op je luie reet te zitten. Alsjeblieft, pak die camera’s, zet je microfoons aan en neem dit op. Nú. Laat Nederland kennis maken met het verhaal van Tilburg, met de tristesse, de melancholie en de levenslust van deze ruige, onbekende en spannende stad in het zuiden.

Maar de mannen geven geen krimp. Met hun ruggen onbewogen naar het orkest blikken ze ongeïnteresseerd in de zaal. Ik heb mijn hoop al opgegeven wanneer ze plots opstaan, koptelefoons opzetten en de camera’s op hun schouders laden. Wanneer Candy vervolgens met haar saxofoon het podium beklimt, met rugdekking van een batterij aan Tilburgse muzikanten een solo speelt en de camera’s om haar heen cirkelen, dan pas valt het kwartje.

Koud, nat en onverwacht scheurt mijn naïeve gedachte dat de nos naar Tilburg afreisde om een beeld te schetsen van deze fascinerende muziek. Hoe zou, vanuit een Randstedelijk perspectief, kunst uit een Brabantse stad als Tilburg ook interessant kunnen zijn? Wil je een publiek uit Utrecht of Amsterdam iets voorschotelen uit een zuidelijke industriestad, dan moet het wel worden voorzien van een Randstedelijke saus, voor de gelegenheid geleverd door een Amsterdamse puber.

De inzet van de nos irriteert me mateloos. Mijn vrienden houden me voor dat ook Candy de sterren van de hemel speelt, en hoe fantastisch is het dat Vaalbleek nu toch maar mooi op televisie komt. Tot mij dringt het allemaal niet meer door. Ik vervloek deze onverholen minachting voor de Tilburgse geïmproviseerde muziek, deze godverdomde Randstedelijke arrogantie.

Het lukt me maar amper over mijn frustratie heen te stappen. Ik brom, knor en mor. En nu, een eeuwigheid later, kan ik niet anders dan toegeven dat ik me toen, in november 1984, definitief ontpopte als een onvervalste, verongelijkt mopperende, klagende en zanikende maawerd. Als een ware Tilburger.