Kijken

Ongeregeldheden

Vormschakeringen in het werk van Tito Zungu, Georg Herold of Markus Lüpertz creëren een onvoorspelbare beweeglijkheid, zoals bladeren in de wind.

Georg Herold, Cyber Work, 1998. 270 x 230 cm © Stedelijk Museum Amsterdam

Overal ter wereld, dag en nacht, is er gewapper van bladeren in de bomen. Het ligt aan het weer hoe dat bewegen eruitziet en aan de wind die over het land beweegt. Harde en zachte wind. Dan heb ik het niet eens over alle soorten van bomen die er zijn. Stompe, zwijgzame wilgen, stramme bomen als onwrikbare eiken, zachte bomen als buigzame eucalyptus. Bomen vertakken verschillend waardoor hun takken en bladeren anders in de wind in beweging komen. De bladeren aan eikenbomen bewegen stugger dan de sliertige bladeren van wilgen. Bomen staan overal in talloze kleuren groen. Door de eeuwen heen hebben schilders, ieder in hun stijl, ze geschilderd. Het geluid van boombladeren, het geritsel en geruis, kun je niet zien, maar je kunt het, ook door de eeuwen heen, terugvinden in muziek en poëzie. De meervoudige bewegingen en geluiden zijn onbeschrijfelijk. Grote boomschilders, Ruisdael of Van Gogh, probeerden in de buurt te komen en kwamen nabij.

Ik zit deze tijd vaak tussen de bomen in onze tuin en kijk lang en aandachtig naar hoe bladeren zich bewegen. Je weet niet wat je ziet. Meestal zijn ze wat gebogen van vorm. De onderkant van een blad is lichter dan de bovenkant, die voller groen is. Ik concentreer me, met een kleine toneelkijker, op enkele bladeren bij elkaar. Je ziet verrassende schakeringen. Groene contouren overlappen elkaar naar gelang de wind waait. Daardoor gaan bladeren op en neer in het licht en zien ze er afwisselend lichter of donkerder groen uit. Ze zijn bijna gewichtloos, ook daarom zijn de bewegingen eindeloos onvoorspelbaar.

Tito Zungu, Zonder titel, 1993. 28 x 41 cm © Stedelijk Museum Amsterdam
Ik zeg het vaker, kunstwerken zijn rare tovenarij

Hoe kwam ik in deze verwarring terecht? Ik vond een mooi papierwerk van Tito Zungu terug. In het Stedelijk Museum was er, eind 1993, de tentoonstelling Zuiderkruis, kunstenaars uit Zuid-Afrika. Het project kwam kortgeleden ter sprake in een mooi artikel van Marnix de Bruyne in De Groene nr 25. Dat werk van Tito Zungu hebben we toen aangekocht omdat het overtuigend goed was. Het is een fantasie van een bouwwerk waarboven een strak getekend vliegtuig wegvliegt, de wijde wereld in. In de vormgeving van het gebouw dat eruitziet als een paviljoen, zit een hecht patroon van scherpe, geschakeerde en gekleurde kleine vormen. Ik weet dat ik deze verbeelding toen al bijzonder vond. De eigenzinnigheid ervan was authentiek. Indertijd begreep ik van Zungu dat hij nooit gereisd had. Hij was naar Amsterdam gekomen, hoewel hij bang was in vliegtuigen – hoewel die tegelijkertijd avontuur betekenden. Ik geloof dat we het daarover ook gehad hebben. Pas later begon mij de vormgeving van het werk, Untitled, te intrigeren. Het is vreemd nauwkeurig in elkaar gezet, de kleine, hoekige vormen leken tot een soort alfabet te behoren. Zungu kwam van het platteland van Natal. Ineens werd het me duidelijk dat die geschakeerde vormen ontstaan waren in kleurrijke Zulu-kunst, vlechten en weven. Die vormen gebruikte hij, op zijn manier, als bouwstenen om figuraties in elkaar te zetten.

Markus Lüpertz, Stil: Fliegen Weiss mit Raster, 1977. 145 x 210 cm © Peter Cox / Collectie Van Abbemuseum, Eindhoven

Bij Zungu merkte ik een hechte geschakeerdheid die vol was en van geen ophouden wist. Tegelijk zag ik de beweeglijkheid van boombladeren die onvoorspelbaar zijn en dus daarom niet ophouden. Misschien is wel de grillige onvoorspelbaarheid van snelle vormschakeringen (zoals in sprookjes gestalten steeds heen en weer veranderen als dat zo uitkomt) precies het wezen van een alfabet in alle kunst, overal. Hierbij staat een houten werk van Georg Herold – een raamwerk met daarin slingerende lijnen van blokjes hout die vreemd ten opzichte van elkaar, dwars verdraaid zijn. Het lijken wel wapperende takken. Eigenlijk is het altijd zo in kunst dat het beeld eerst stilstond en dat er dan in de verbeelding van het beeld ongeregeldheden van beweging gaan optreden of losraken of wat er gebeurt. Ik zeg het vaker, kunstwerken zijn rare tovenarij. Het schilderij van Markus Lüpertz vertoont vormen als verdwaalde vliegers. Ze passen in elkaar als een patroon. Onduidelijk is dan hoe de vliegers aan elkaar vastzitten of weer losraken. Is een patroon plat als een kleed of beweegt het als een vliegend tapijt. Met stugge kleuren is het schilderij los geschilderd. Het kan alle kanten op.

In deze werken, van Zungu of Herold of Lüpertz, bestaat de figuratie uit vormen en contouren die elkaar vasthouden en tegelijk ook loslaten om te gaan bewegen. Nerveuze vormen bewegen alsof het bladeren en takken zijn. Dat is altijd zo. Die beweeglijkheid is een universeel alfabet dat kunst en kunstenaars met elkaar delen – universeel zoals ook overal en ongeveer gelijk boombladeren heen en weer schommelen in de wind.