MUZIEK

Ongetemde ziel

Skrjabin/Ugorski

Anatol Ugorski verloor na een aantal spectaculaire opnamen voor Deutsche Grammophon zijn platencontract. Na een radiostilte van enkele jaren pakt hij met zijn complete opname van Skrjabins pianosonates bij het Duitse label CaVi de draad op waar hij hem bij DG liet liggen met zijn hartverscheurende interpretatie van Skrjabins pianoconcert. Hij is nog even scherp als toen, en wat een stukken! Moeilijk te zeggen wat er zou zijn gebeurd als er geen Schönberg was opgestaan, maar de kans is groot dat Skrjabins laatste vijf pianosonates in de boeken de baanbrekende rol hadden opgeëist die nu aan Schönbergs Strijkkwartet Op. 10, Klavierstücke Op. 11 en Orchesterstücke Op. 16 wordt toegeschreven. Als evolutionaire mijlpalen in de westerse muziekgeschiedenis leiden ze dankzij die concurrent een soort schaduwbestaan, terwijl ze zich met dezelfde radicaliteit van de tonale harmoniek ontdoen als Schönbergs vroegste atonale exercities. Uit Skrjabins angst uitsluitend als componist van symfonieën en sonates te worden herinnerd spreekt een ernstige onderschatting van de enorme vlucht naar voren die hij binnen 25 jaar in zijn uitgestrekte piano-oeuvre aflegt.
De eerste drie - Op. 6 in f-klein (1891/92), Op. 19 in gis-klein (1892/1897) en Op. 23 in fis-klein, allemaal in mineur dus - staan als romantische meesterpianistenmuziek nog dicht bij Chopin, met een vitaal verschil. Aan vroege Skrjabins kleeft het vuil van een lijdend ego dat bij het grote voorbeeld chique is weggefilterd. Er is iets ziek verzadigds en kokets in harmoniek en melodievorming, iets wuft pathetisch dat hem prachtig staat zolang de pianist van dienst even mooi wankel balanceert op de labiele kitschgrens van de noten. Dat is een kunst op zichzelf: Skrjabin graaft autobio met een bijna onhanteerbaar hyperbolisch zelfbeeld. Zie de Derde sonate. Daar legt hij de grondslag voor wat zijn biograaf Boris de Schloezer de ‘psychologische sonate’ noemde. In een door Skrjabin geautoriseerde exegese van het stuk beschrijft zijn tweede vrouw Tatjana het werk als het fictieve drama van een vrije, ongetemde ziel die in de eerste delen alle pieken en dalen van het leven doormaakt om zich in de finale even te ontpoppen als 'de vrije god-mens’, maar niet sterk genoeg blijkt om die uitverkoren status te behouden. Dat klinkt niet fris, en het zal erger worden. Parallel met Skrjabins transformatie van romanticus tot avant-gardist voltrekt zich de spirituele ommezwaai van parmantige poseur tot megalomaan wiens groezelig verheven ideeën over spirituele vervolmaking van de kunst en de kunstenaar als profeet - hij kent zijn theosofen en zijn Nietzsche - niet zonder gevolgen zal blijven voor zijn muzikale denken.
In het eerste deel van de Vierde sonate (1903), muzikaal nog relatief conventioneel, begint het Skrjabin-gekriebel. Hij schrijft er zelf een idioot gedicht bij dat de speler/ luisteraar als gids moet dienen. De dichter wordt onweerstaanbaar aangetrokken door een ster in blauw stralend licht. Hij vliegt erheen en baadt in de gloeiende lichtstralen. De muziek is even betoverend als haar klaarblijkelijke strekking van god los. Vaag ordinair, tot burgerkunst geëmancipeerde salonmuziek, de akkoorden geil als in een cocktailbar maar met bezwerend esoterische gebaren opgedist. Op dat moment begin je te begrijpen wat er bij Skrjabin aan scheelt. Hij is zijn instrument voorbij. Zijn laatste vijf sonates, allemaal eendelig, willen geen pianomuziek meer zijn, of niet uitsluitend dat. Het zijn hermetische enclaves voor een zelfverheerlijkend fantaseren in een lyrisch vagevuur dat in de woorden van de componist 'het verderfelijke’ en 'het boze’ als stemmingsregisters niet uitsluit. Daarom wordt hij zelfs op zijn tederste momenten nooit impressionist; het infernale loert overal. In de Zesde sonate begint met verdwaasd loensende akkoorden en de eerste hysterische jubeltrillers, nog mild hallucinerend, de grote draaierigheid die zo extatisch uit de hand zal lopen dat in 1912/1913, met de tiende en laatste sonate, van de voormalige Chopin-retoriek en de vertrouwde breedgeschouderde klaviergebaren geen spoor meer is te vinden. De late Skrjabin is parmantig intiem en kleurrijk doorgedraaid, fantast met de nerveuze lichtgeraakte ernst van egomanen. Voortdurend hoor je in deze als woestijnlucht oscillerende muziek waarschuwingssignalen mee vibreren: hoor mij, maar denk me niet te kennen. Ik ben te ver, te hoog, te weg. Men kan in deze muziek verdwalen en dat is goed, nu alles weer oost west thuis best schreeuwt.

Alexander Skrjabin: Pianosonates 1-10. Anatol Ugorski, piano. Avi Music 8553195 (twee cd’s)