Mode - Onze kleding ons leven

Ongetrouwde kapsels en geprononceerde bilpartijen

Bestaat er zoiets als een onbeladen kledingstuk? Marja Pruis denkt van niet. Zelfs make-up is uiteindelijk een politiek issue.

Medium anne 20gunning 20in 20jaipur 20by 20norman 20parkinson

Voordat ze ging protesteren tegen Mubaraks regime bepaalde de Egyptische schrijfster Mansoura Ez Eldin zorgvuldig wat ze aantrok. Het werd een lichtbruine trui, een blauwe blouse met blauwe strepen en een spijkerbroek. Ze deed haar sneakers aan om weg te kunnen rennen als de politie de betogers zou aanvallen, en ze wikkelde een keffiyeh (sjaal) om die ze over haar gezicht zou kunnen trekken als er traangas gebruikt zou worden. Tot slot deed ze iets meer make-up op dan normaal, om aan de politie te laten zien dat haar deelname aan de demonstratie geen alledaagse gelegenheid was.

Met een groepje vrienden nam ze de metro naar de Amr ibn al-Aas-moskee. Na het vrijdaggebed zou de demonstratie beginnen. Toen ze bijna ter plekke waren drongen haar vrienden erop aan dat ze haar haren met de sjaal zou bedekken. Ze dachten dat ze als ze zonder hoofddoek de moskee in zou gaan, de aandacht van de politie zou trekken. Ez Eldin had echter in geen jaren een hoofddoek gedragen, en ook nu hield ze voet bij stuk. Ze zou nooit meer haar haren verstoppen, als compensatie voor alle jaren dat ze als onschuldig meisje gedachteloos haar hoofd had bedekt.

Toen ze het metrostation uitkwamen, liepen ze meteen tegen een groep oproeragenten aan, opgesteld achter hun wapenschilden. Ez Eldin schrijft – haar essay ‘Ik weiger’ is opgenomen in het veelomvattende Vrouwen kleren (Hollands Diep 2015): ‘Om problemen te vermijden sloeg ik vlug de sjaal om mijn hoofd.’

Iedere dag maken mensen (m/v) zich op voor de strijd; ze kiezen hun kleding al dan niet onbewust uit op de slag die ze moeten leveren, of het nu een bezoekje aan de dierentuin is, een date met een onbekende, just another day at the office, of een gesprek waar de rest van het leven van afhangt. Een bloemig sjaaltje, een staalblauw colbert, het beginnende baardje nog net een dag langer niet geschoren, de broekspijp kort genoeg om een kleurige sok te tonen; er is over nagedacht en het wordt gezien, als het een beetje meezit.

Roland Barthes introduceerde in zijn Système de la mode (1967) het idee dat mode een taal is: kleding en poses zijn bekleed met betekenis die we communiceren, een betekenis die we kunnen lezen, en schrijven. Dat bloemige sjaaltje straalt creativiteit uit, ook al dacht degene die het vanochtend voor de spiegel omsloeg vooral dat het er wel vrolijk uitzag, op een niet-al-te-opzichtige manier. In combinatie echter met een vlokkige zwarte jas, een kleurige driestrokenrok, fikse uitgroei van droge grijzende krullen, roodlederen klompachtig schoeisel en een rieten mand (…), laat dat bloemige sjaaltje er geen twijfel over bestaan bij haar toevallige medetreinpassagiers: deze vrouw doet aan poëzie in haar vrije tijd. Misschien dat ze er ook nog een beetje bij aquarelleert, het zou zomaar kunnen.

Dat Mansoura Ez Eldin de dag van de demonstratie tegen Mubarak een trui, een blouse en een spijkerbroek uitkoos, was natuurlijk ook geen toeval. Dit is wat ze wilde uitstralen, en ik vul het nu even voor haar in: I’m every woman. De vrouw die haar mannetje staat, die er niet op uit is zich als een vrouw te onderscheiden. Dat ze dan toch ook nog die keffiyeh omsloeg… Overlevingsmechanismen bevinden zich meestal op een diep verankerd, onbewust niveau.

Een futiel onderwerp als kleding – of erger nog: mode – kan niet ernstig genoeg worden benaderd. Maar misschien overdrijf ik hierin – en had ik er Roland Barthes helemaal niet bij nodig gehad –, want mode lijkt al een tijdje bezig aan een culturele opwaardering. Zoals in ons deel van de wereld eten steeds minder te maken heeft met het stillen van honger, zo raakt kleding losgezongen van de elementen. Koken is een kunst geworden, en hetzelfde geldt voor mode. De weekendbijlagen van kranten hebben mode-mensen als gasthoofdredacteur. Musea richten hun zijvleugels in met de collecties van ontwerpers van toen en nu; opgelucht vergapen de massaal toestromende bezoekers zich aan de ruches en de geprononceerde bilpartijen. Ja, ook dit is kunst!

De National Portrait Gallery in Londen viert het honderdjarig bestaan van Vogue met een grote overzichtsexpositie van de covers door de jaren heen; de rij belangstellenden is lang, en als je niet van tevoren een kaartje hebt gereserveerd kom je er niet in. Boven aan de trappen in de Philips-vleugel van het Rijksmuseum floepen grote witte lampen verkleed als kanten onderjurken het kwetterende publiek welkom – hoezo zou onze samenleving ooit te kampen kunnen krijgen met een overschot aan testosteron? In het Amsterdamse regentenhuis Museum Van Loon worden onder de noemer Mode bij Van Loon de kledingkasten van de Europese high society opengezet. Vorig jaar organiseerde Museum Arnhem een grote tentoonstelling over modefotografie, Alles behalve kleren, en het jaar daarvoor trok de Rotterdamse Kunsthal een ongekend groot aantal bezoekers met de schipperstruien en bustiers van Jean Paul Gaultier. Het Centraal Museum in Utrecht, dat eerder hordes fashionista’s verstouwde bij de glorieuze Viktor Rolf-expositie, buigt zich deze maanden over ‘haar’ in al zijn verschijningsvormen en onverwachte toepassingsmogelijkheden. Háár ja, in de begeleidende tekst wordt gewag gemaakt van de complexe relatie die we als mens onderhouden met (ons) haar.

Medium bk 1978 247
Haar bloemige sjaaltje laat er bij de medetreinpassagiers geen twijfel over bestaan: deze vrouw doet aan poëzie

Moeten we haar opsteken bijvoorbeeld, of juist los laten hangen, om te laten zien of we wel of niet ergens voor in zijn? Hoe ziet een ‘ongetrouwd kapsel’ eruit, zoals Alice Munro de haardos van een van haar personages karakteriseerde? En ja, daar doemt die hoofddoek weer op, ook al voelt het als een vorm van valsspelen om met zo’n beladen kledingstuk te komen aanzetten, alleen om te illustreren dat aankleding nooit alleen maar aankleding is. Bestaat er wel zoiets als onbeladen kledingstukken, neutrale haarcoupes? Non-descriptheid is ook een keuze zou je kunnen zeggen, net zoals je al dan niet iets gelegen laat liggen aan het heersende modebeeld of andere kledingvoorschriften.

Schrijfster Rachel Kushner, van de stoere roman The Flamethrowers die twee jaar geleden door iedereen gelezen werd, roept in het net al genoemde Vrouwen kleren herinneringen op aan de negentienjarige huisgenote die er een onberispelijke, studentikoze stijl op nahield, los van trends en modes. Deze uit Illinois afkomstige hittepetit zei dat ze nog níets was vergeleken bij haar moeder en grootmoeder, en dat er ‘een heel mensenleven’ voor nodig was om stijl te ontwikkelen. Het komt helemaal niet op een mensenleven aan, leerde Kushner, maar op geboren worden in een gezin met veel geld en veel smaak. ‘Zo’n look kun je je niet zomaar aanmeten. Die is alleen toegankelijk voor de betere kringen. En zelfs dan…’

Ethel Portnoy, die kleding een ‘goddelijk onderwerp’ vond en er decennia geleden navenant over schreef, herinnert zich hoe haar moeder, ‘nietige mus achter de naaimachine’, als een gek de mooie kleren zat te rijgen en te stikken die haar dochter, hoopte ze, ver weg zouden brengen. Ver weg van een leven als het hare.

Kleding als uithangbord van de goede smaak. Kleding als vehikel voor social climbing. Kleding als afwerend middel. Vorige maand schreef de Turks-Amerikaanse schrijfster Elif Batuman in de coverstory van The New Yorker, ‘The Head Scarf, Modern Turkey, and Me’, dat ze er op zeker moment achter kwam – in haar eentje reizend door Turkije – dat ze haar leven onnodig ingewikkeld maakte door géén hoofddoek te willen dragen. Een sjaal om je hoofd doen is niet moeilijk, en het is ook niet duur. Als je zoveel mensen in je directe omgeving er een duidelijk plezier mee doet? Welk principe maakte ook weer dat ze dacht blootshoofds te moeten rondlopen? Dat vrouwen gelijk zijn aan mannen? Aan wie dacht ze dat principe te moeten ‘communiceren’? En hoezeer slaagde ze daarin? Wat als ze dacht dat ze iets communiceerde, maar mensen interpreteerden het totaal de andere kant op? Wat als mensen vooral begrepen dat ze afkeurend over hen en hun leefwijze dacht? Gold dat ook als ‘communiceren’?

Van de weeromstuit begon Batuman na te denken over hoge hakken. Hoge hakken dragen is pijnlijk, en duur, omdat ze het lopen bemoeilijken en ze vaker van een taxi gebruik moet maken. Toch zijn er talloze werkgerelateerde gebeurtenissen in New York waar ze naartoe gaat op hoge hakken, omdat ze denkt dat mensen dan meer acht op haar slaan. Dit in ogenschouw nemende, waarom zou ze weigeren om een hoofddoek te dragen die een vergelijkbaar voordeel oplevert van sociale acceptatie, zonder het bijkomende nadeel van het insnoeren van je vermogen om te staan of te lopen?

Is niet ook zoiets randoms als make-up uiteindelijk een politiek issue? Rachel Kushner begon zich op te maken toen ze woordvoerster was van de abortusbeweging. Oud-Kamervoorzitter Gerdi Verbeet – in haar onberispelijkheid geen uitdagend stijlicoon à la Neelie Kroes, maar wel een bijzondere verzoening uitstralend met wie en wat ze is – heeft zich bij verschillende gelegenheden uitgelaten over het belang van opschik die past bij de boodschap die je wil overbrengen. In haar geval: vrouwelijk, maar niet te feestelijk. ‘Je bent tenslotte wel aan het werk.’

Een stelregel die Beatrice de Graaf ongetwijfeld ook hoog in het vaandel heeft, maar die haar er niet van heeft weerhouden om haar televisiecollege over terrorisme te houden in een signaalrode strakke jurk en op onwennig ogende hoge hakken. Waarom? Is het een vorm van ‘impression management’ zoals de socioloog Erving Goffman dit definieerde in zijn onverminderd relevante klassieke studie The Presentation of Self in Everyday Life, verschenen in mijn geboortejaar?

Waarom de moeder van schrijfster en filmmaakster Nora Ephron haar bijbracht nooit een rode jas te kopen, zoals Ephron noteert in ‘Mijn leven in maximaal 3500 woorden’, vertelt het verhaal niet, maar we kunnen het wel een beetje bedenken. Rood ‘communiceert’ iets, en al naar gelang de context kun je dat compenseren door er een bril bij op te zetten, of het daarmee juist erger maken.

Goffman was een pionier in het analyseren van het menselijk optreden als een voortdurend acteren om indruk te maken op de omgeving, om te excelleren of juist zo ‘normaal’ mogelijk over te komen. Hij was hierbij meer gericht op lichaamstaal dan op de aankleding van dat lichaam, al haalde hij in zijn slothoofdstuk Simone de Beauvoir aan die in De tweede sekse uitputtend uitlegde hoe groot de ramp is voor de vrouw als ze wijn morst op haar jurk, haar kapsel uitzakt, ze haar enkel verzwikt, flauwvalt. In één klap is ze van the queen of the ball gemetamorfoseerd in een Assepoester die straks weer met een doekje in de weer moet; opeens verraadt zich dat haar trotse verschijning geen natuurlijk aangewaaid gegeven was, maar een diepte-investering, tot stand gekomen dankzij ernstige offers – denk aan de tijd doorgebracht bij de kapper, de nagelsalon; denk aan de pijn vanwege haar schoeisel, de benauwdheid vanwege het insnoerende ondergoed. Mijn modebewuste mannelijke collega’s kunnen het wel eens oneerlijk vinden – al die mogelijkheden die vrouwen hebben om zich in hun kleding te onderscheiden – maar voor vrouwen is mode behalve een verkleedpartij óók een pijnbank en een mijnenveld.

Voor vrouwen is mode behalve een verkleedpartij óók een pijnbank en een mijnenveld

Wat als ik het echt zou doen? vraagt Elif Batuman zich reizende in Turkije af. Als ik niet een hoofddoek zou dragen als tijdelijke vermomming, maar voor het echie, en voor altijd? Ze maakt de balans op van haar leven: ze is 34 en twijfelt over de richting die haar leven heeft genomen. Ze heeft een abortus achter de rug, voelt zich alleen, en vraagt zich af hoe dit te maken heeft met het feit dat ze dacht schrijver te moeten worden. Opeens lijkt de hoofddoek het visioen te bieden van een ander leven, met duidelijker regels en verplichtingen in ruil voor respect en veiligheid. De mensen zullen vanzelfsprekend naar haar glimlachen, en haar opeens weer zien staan. Misschien moet ze aan vrijheid inboeten, maar wat is er zo geweldig aan vrijheid? Wat is er zo geweldig aan om journalist te zijn, een pain in the ass voor velen, tegemoet te worden getreden met argwaan en ergernis? Het alleen reizen als vrouw levert veel stress op. Waarom doet ze zichzelf dit aan? In naam van de literatuur? Batumans vragen krijgen een almaar schrillere klank. Wat is literatuur?

In de roman Lichtjaren laat James Salter zijn hoofdpersonage Viri een kleermaker in de stad – New York – bezoeken om zich een overhemd te laten aanmeten. Een heel hoofdstuk lang gaat het nergens anders over dan over de zachte handen van de ene man die de andere man de maat opnemen: de lengte van de beide armen, de borst, het middel, de omtrek van de pols. Alles wordt zorgvuldig genoteerd op een grote voorbedrukte kaart, om voor de eeuwigheid bewaard te worden. Stoffen gaan door de vingers – streepjes, batiks, Egyptisch katoen –, kleuren passeren de revue: citroen, magenta, cacao, grijs. Viri positioneert zich voor de spiegel en probeert verschillende soorten kragen uit. Lang, puntig, kragen met een ronde tip. Er wordt gedelibereerd over de juiste lengte van de mouwen. Viri wil zijn mouwen iets korter, hij wil graag zijn knokkels zien.

‘Ik hoef het u niet uit te leggen’, zegt de kleermaker tegen zijn wikkende en wegende klant.

‘Nee’, zegt deze, ‘natuurlijk niet.’

De kleermaker zegt het hem toch maar voor de zekerheid: ‘Een verkeerd overhemd is als het verhaal van een mooi, alleenstaand meisje dat op een dag ontdekt dat ze zwanger is. ’t Is niet het eind van de wereld, maar het is ernstig.’

En dus gaat het door: of er wel of niet een zak op het hemd genaaid mag worden, of de kraag niet te hoog van achteren wordt, dat het linkermanchet net wat groter moet zijn dan het rechter, vanwege het polshorloge. En dan de stoffen die worden uitgekozen, want inmiddels heeft Viri besloten meteen maar drie hemden te laten maken. Een van een stof bedrukt met veren, veren van donkergroen, zwart, permanganaat; een tweede met de kleur van hertenleer; een derde politieblauw.

‘Vindt u niet dat het blauw te blauw is?’

‘Een kleur blauw kan nooit te blauw zijn.’

Salter laat niet na het vakmanschap te benadrukken van de kleermaker, die te werk gaat met de delicate zorgvuldigheid van een vrouw. Het zijn misschien maar overhemden, maar stel je voor dat die effort niet gepleegd zou worden, dat niemand oog had voor juist die stof, dat type kraag. Dat niemand ze wist te dragen, er zo content mee zou zijn dat hij er het liefst in zou slapen. Stel je voor dat zoiets lichtzinnigs als kleding niet met aandacht zou worden beschouwd. De beschaving zou instorten, we zouden wegzinken in chaos, criminaliteit, totale ontgoocheling.


Rijksmuseum, Catwalk, t/m 16 mei. Museum Van Loon, Mode bij Van Loon, t/m 30 mei. Centraal Museum, Haar! Menselijk haar in mode en kunst, t/m 29 mei

Beeld:(1) Tentoonstelling Vogue 100: A Century of Style, National Portrait Gallery Londen. Anne Gunning in Jaipur door Norman Parkinson, 1956 (NORMAN PARKINSON LTD/COURTESY NORMAN PARKINSON ARCHIVE) (2) Tentoonstelling Catwalk, Rijksmuseum Amsterdam. Japon (manteau) met sleep, anoniem, ca. 1750 - ca. 1760. Trouwjapon van Helena Slicher. Lichtblauwe ripszijde geborduurd met oraal motief in veelkleurige zijde ( SCHENKING VAN JKVR. C.I. SIX, ‘S-GRAVELAND / Rijksmuseum Amsterdam )