Ongewenste roem

En terwijl de schrijver de lelijkheid en zichzelf schilderde stond ik hem aan te gapen, veilig verdronken in een bad van anonimiteit. Tussen de toekijkende klanten van de boekhandel. Voor geen goud had ik met hem van plaats willen ruilen. Noem het lafheid, maar zeker is dat ik in een dergelijk geval aan een acute aanval van gecompliceerde schaamte was bezweken. ‘Wie is die gekke dwerg met dat brilletje?’ vroeg mijn relativerende buurvrouw. ‘Arnon Grunberg, de schrijver’, fluisterde ik. En samen keken wij naar het schouwspel. Naar de halfnaakte dikkerd die de schilderende schrijver zijn penselen aanreikte - een pornoster, volgens de geruchten - en naar het afschuwelijk bevlekte doek dat vijfhonderd gulden moest kosten. Nooit zal ik kunnen begrijpen waarom een mens zich als een droeve aap begint te gedragen zodra hij een half onsje faam heeft verworven.

En terwijl ik verwonderd observeerde hoe in die boekhandel de lelijkheid daadwerkelijk steeds lelijker begon te worden, vroeg ik me af of er soms iets ergers bestond dan het en plein public uitsmeren van dat half onsje roem op vijftien onschuldige doeken. Ineens wist ik het. Terwijl ik me realiseerde dat ik het wist, stroomde een beekje van ijskoud zweet tussen mijn schouderbladen: vele malen erger is de roem die je door anderen wordt opgedrongen. De ongewenste roem die als een emmer vuil water over je hoofd wordt gekieperd. Het beekje zweet werd een rivier vol verdrongen herinneringen. Plotseling stond ik niet meer in de boekwinkel, maar werd ik een twintigtal jaar in de tijd teruggeworpen, naar de plek waar de lelijkheid haar koninkrijk heeft neergezet: de camping Marina-plage.
Waarom mijn ouders ooit hun caravan naar deze poel des verderfs hebben gesleept zal voor mij altijd een raadsel blijven. Marina-plage ligt aan de voet van een betonnen oord genaamd Vitrolles, en het kan onmogelijk toeval zijn dat het juist dit stadje is dat als eerste in Frankrijk door een Front National-burgemeester werd bestuurd. Verder ligt de camping aan het vervuilde meer Etang de Berre, waar dode vissen tussen drijvend plastic afval hun weg moeten zien te vinden. Aan de rechterkant wordt de horizon begrensd door reusachtige olieraffinaderijen en links door het vliegveld van Marignane, een stadje dat ook in handen van het Front National is. Een permanente geur van verrotting verrijkt met benzinedampen hangt er in de lucht. Maar het ergste is het gepeupel dat Marina-plage bevolkt. Bajesklanten, zwartwerkers, frauderende uitkeringsgerechtigden, wegprostitués, zatlappen en doordeweekse zinloosgeweldenaren. Bij mijn weten zijn er nog nooittoeristen in Marina-plage gesignaleerd.
Ieder bezoek aan mijn ouders was een martelgang en daarom probeerde ik mijn verblijf in deze kweekbouillon zo kort mogelijk te houden. Maar op een dag vroeg mijn moeder me om tot laat in de avond te blijven. De jaarlijks missverkiezing van Marina-plage zou in het café van de camping plaatsvinden. Vol onbehagen zat ik vervolgens in de avondschemering op een bomvol terras, loensend naar een bonte stoet van vergroeid vlees met steenpuisten, kromme ledematen, lege hersenpannen en dubbeldikke sinaasappelhuid van gelatineuze consistentie. De kandidates. Ik probeerde weg te dromen om aan het spektakel te ontsnappen, totdat de mannelijke kandidaten voor de verkiezing van Mister Marina werden opgeroepen.
Mijn naam klonk helder door de geluidsinstallatie. En nog eens, en na een stilte een derde keer. Ik kroop half onder de tafel maar toch zag ik in een oogopslag de triomfantelijke en trotse blik van mijn moeder. Mijn haat was onbegrensd, haat voor haar die me voor deze lijkenparade heimelijk had ingeschreven. Ik ben dood, dacht ik, en weigerde op te staan. Maar mijn naam werd door honderden kelen gekrijst. Ik stond op. Wat er daarna gebeurd is, is me gezien mijn shocktoestand grotendeels ontgaan. Wel herinner ik me dat ik kort daarop door mijn medekandidaten - mannen met verrotte tanden die naar zelfgestookte pastis roken - werd gefeliciteerd. Men hing een steen aan mijn nek die na verdere analyse een ijzeren medaille bleek te zijn. Sinds die dag ken ik de smaak van de ongewenste roem. De schaamte van het succes en de kwelling van de glorie. Ik ben voor het leven als Mister Marina gebrandmerkt. De prins der achterdeuren, de koning van de vuilnisbelten.