Bouwkunst

Ongewilde poëzie

BOUWKUNST Jean Prouvé

De catalogus bij de tentoonstelling Jean Prouvé: De poëzie van het technisch object is van voren en achteren bekleed met een plaat geribbeld aluminium. Dat is wat onhandig in de boekenkast, maar wel toepasselijk: Prouvé (1901-1984) had zijn leven lang een liefdesrelatie met metaal. Hij is bekend geworden als ontwerper en constructeur, maar begon zijn loopbaan als smid. Door een meesterstukje dat hij in 1927 afleverde, een smeedijzeren toegangsportaal voor een van de Parijse villa’s die Mallet-Stevens bouwde aan wat nu de rue Mallet-Stevens heet, kreeg hij toegang tot de wereld van de Franse avant-gardearchitectuur. Men raakte al snel onder de indruk van deze begenadigde knutselaar, die voor elk constructief probleem een oplossing wist. In de loop van zijn werkzame leven bracht hij, de autodidact, een imponerende reeks patenten op zijn naam op het gebied van prefabricage, draagconstructies, schuif- en vouwwanden en isolatie- en ventilatiesystemen.

Medium nai prouve nobel tower 2

Prouvé had een onweerstaanbaar vertrouwen in vooruitgang en techniek, en een jongensachtig enthousiasme voor auto’s, schepen en vliegtuigen, waardoor hij zich in zijn ontwerpen liet inspireren. Niet louter esthetisch, zoals de al genoemde Mallet-Stevens en Le Corbusier, die koketteerden met ‘techniek’, maar fundamenteel. Hij was écht hightech, de peetvader van architecten als Piano, Rogers en Foster. Bekend is het verhaal dat hij een tweedehands auto kocht, niet om erin te rijden maar om tot de laatste schroef te demonteren en weer in elkaar te zetten en zo de gebruikte constructies en verbindingen te doorgronden. De verkregen inzichten paste hij toe in zijn eigen werk. Soms rechtstreeks (een van zijn eerste fauteuils lijkt onmiskenbaar op een autostoel), maar vaker indirect. Prouvé was gefascineerd door standaardisering en bedacht een aantal constructie-elementen met huiselijke benamingen als ‘balk’, ‘paal’, ‘juk’, ‘krukje’, ‘boog’, ‘schaal’, waarmee in principe elke ontwerpopgave zo efficiënt mogelijk kon worden opgelost. Met als gevolg dat een simpel schoolbankje sterke overeenkomsten vertoont met de grote glazen hal die hij ontwierp voor de bronwaterfirma Evian: de opgave was vergelijkbaar, alleen de maatvoering verschillend.

In de jaren veertig waren de Ateliers Jean Prouvé, gevestigd in Maxéville, een voorstad van Prouvé’s geboorteplaats Nancy, een legendarisch bedrijf. Op één terrein werd ontworpen, ontwikkeld, getest en (seriematig) gebouwd. Daarbij was Prouvé ook nog een vooruitstrevend werkgever, die zijn werknemers – ongebruikelijk in die tijd – betaald vakantie gaf. Om kapitaal aan te trekken verkocht hij begin jaren vijftig een meerderheidsbelang aan een geldschieter, wat er geheel onvoorzien toe leidde dat hij binnen de kortste keren buiten de poort van zijn eigen bedrijf werd gezet. Een traumatische ervaring. Voortaan had hij alleen nog een tekentafel tot zijn beschikking, terwijl hij het handwerk dat hem zo dierbaar was, moest uitbesteden.

Behalve door zijn meubels, waarvan een deel nog altijd vervaardigd wordt, is Prouvé bekend gebleven door zijn experimenten met verplaatsbare huizen: metalen bouwsels die door twee man in een paar uur in elkaar gezet konden worden. Ingenieus is daarvan de tropenvariant, waarin door isolerende wanden en een systeem van sleuven en kleppen het inwendige zo koel mogelijk blijft. Voor Citroën ontwierp hij enkele standaardbungalows die, helaas, als ‘te gedurfd’ nooit in productie zijn genomen. Bijzonder aan die huizen was dat wand en dak naadloos in elkaar overliepen: de wand ís het dak en omgekeerd. Het arcam-gebouwtje van René van Zuuk aan het Amsterdamse Oosterdok, dat als een sierlijke metalen golf op de kade staat, had er zonder Prouvé niet zó uitgezien.

Maar hoe mooi vele van zijn ontwerpen ook zijn, om ‘schoonheid’ of ‘stijl’ was het Prouvé nooit begonnen – bepaald verfrissend in deze stijlbezeten tijd. Hij ging er vanuit dat als iets (constructief) goed was, het ook esthetisch bevredigend zou zijn. De titel van deze tentoonstelling (‘de poëzie van het technisch object’) is dan ook jammerlijk verkeerd. De oorspronkelijke titel (in het Duits en Frans) luidde ‘de poëtica van het technisch object’ – de poëzieléér, de theorie achter de poëzie. Een voorbeeld: Prouvé paste veelvuldig venster- en deuropeningen met afgeronde hoeken toe, een elegante verwijzing naar scheepsarchitectuur, zou je zeggen. Maar wat blijkt: al experimenterend was hij tot de ontdekking gekomen dat zo’n opening in één keer uitgezaagd kon worden, terwijl er voor een rechte hoek een aantal instellingen méér nodig was. Niets ‘poëzie’ dus, of hooguit ongewild.

Medium nai prouve cnam 1800px 1

Omdat Prouvé niet gediplomeerd was, moest hij bij grotere bouwopdrachten met erkende architecten samenwerken. In het uiteindelijke resultaat is zijn inbreng meestal duidelijk zichtbaar. Misschien wel het fraaist in een woongebouw aan de Square Mozart in Parijs (met Lionel Mirabeau, 1953/54), waarvoor hij de façades ontwierp. Ze zijn bekleed met panelen van gehamerd metaal die in verschillende posities voor de ramen geschoven kunnen worden en zo de toetreding van licht en zon reguleren. Door hun beweeglijkheid en glinstering geven ze de gevels een telkens wisselende aanblik en maken het gebouw tot een reusachtig kinetisch object. Heel doelmatig en, vooruit, heel erg mooi.

Jean Prouvé: De poëzie van het technisch object. NAi Maastricht (Wiebengahal), t/m 2 september