Ongewisse overwinningen

Naarmate iemand meer plafonds wit in zijn leven, krijgt hij hier steeds meer handigheid in. Er bestaat een immens verschil tussen het eerste eigenhandig gewitte plafond en het achtste, het twintigste en het tachtigste.
Zo dacht ik ooit dat het schrijven me ook steeds gemakkelijker af zou gaan. Je zou toch verwachten dat oefening kunst baart, dat je op z'n minst een technische handigheid ontwikkelt, bijvoorbeeld voor zoiets als dialoogjes.

‘Vergeet het maar’, verzucht het meer ervaren deel van mijn brein. ‘Juist die dialogen zijn elke keer weer een worsteling van heb ik jou daar.’

‘Nou nou, is dat niet wat overdreven?’ werpt de hardnekkige naïeveling tegen. ‘Het is toch gewoon een soort tenniswedstrijd, waarbij je moet zien te zorgen dat de hoofden op de tribune de bal blijven volgen.’
‘Kijk, daar ga je al… Foute service, bal in het net. Het moet juist géén heen en weer kaatsen zijn. Kun je je iets strontvervelenders voorstellen dan dat? Zo maken mensen die in de tram of op een terras zitten dialogen. Zo van: kom ik bij Ingrid aan, de man van Henk, blijkt ze een joekel van een blauw oog te hebben. Dus ik zeg: zo wijffie, hebbie gevóchten dan? Zegt zij: ja, met de meteropnemer. Dus ik zeg: met de méteropnemer!? Ja, want die gozer, zegt ze, die loopt de boel mooi op te lichten, dus ik zeg tegen hem… Nog vijf van zulke zinnen en de toehoorder dommelt weg!’
‘Sakkerloot, zo had ik het nog helemaal niet bekeken, Socrates. Maar hoe kunnen wij er dan voor zorgen dat onze dialogen natuurgetrouw klinken en niet, zoals ik nu tot u spreek, gekunsteld?’
‘Geen idee. Dat bedoel ik nu juist te zeggen. Er is geen regel voor, en toch zul je moeten bereiken dat je personages in zinnen spreken waarvan je gelooft - een illusie natuurlijk - dat ze woord voor woord precies zo uitgesproken kunnen zijn. Dat is niet iets waar je na een paar boeken handigheid in hebt. De boel snel opschrijven en dan leuke neutrale synoniemen invullen voor elke keer dat er “zei hij” of “vraagt zij” staat? Welnee, je zult het dialoogschrijven bij elk aanhalingstekentje dat je pen tekent opnieuw moeten uitvinden.’
Zoals het met die dialogen is, zo is het met elk ander onderdeel. Zo ben ik al wekenlang bezig met steeds dezelfde openingsscène: een man in een auto, aangehouden door een motoragent. Simpel zat, zou je zeggen, maar om het niet alleen te vertellen maar het ook daadwerkelijk te laten gebeuren, dat is een ander verhaal. Wat voor auto, en hoe doet zo'n motoragent dat? Knipperlichten? Gaat de helm af of alleen de klep open?
En dan te bedenken dat het hele manuscript een karrenvracht aan dit soort eisen aan me gaat stellen: ga eens kijken op een politiebureau, maak eens een testrit met een bestelbusje… En dan moet het schrijven nog beginnen.
Aan het begin van ieder nieuw werk moet je feitelijk het hele vak opnieuw leren. Bij het eerste werk evenzeer als bij het achtste, het twintigste of het tachtigste.
Drie jaar terug interviewde ik pianist Daniël Wayenberg (toen 77), die dit probleem herkende en heel aardig wist te verwoorden: ‘Zelfs als je voor de honderdste keer het pianoconcert van Tsjaikovski speelt moet het zijn alsof het de éérste uitvoering is. Het is altijd een avontuur. Zeker bij die moeilijke stukken moet er iets overwonnen worden. Dat moet tíjdens het concert gebeuren. Iedere keer als ik het podium op kom, is het nog niet zeker dat ik die overwinning ga behalen.’
Naar de schrijverij vertaald: elk boek is je debuut. Iedere keer als je het manuscript openslaat (/-klikt), moet er iets overwonnen worden, zonder dat er ook maar enige reden is om aan te nemen dat je die overwinning ook gaat behalen. Behaalde resultaten uit het verleden bieden geen garanties voor de toekomst.
Er moet dus tijdens het schrijven iets overwonnen worden door het schrijven. Bij boeken die met dat mengsel van nieuwsgierigheid, hartstocht en angst geschreven zijn, herken je dat gevecht. Je merkt dat je met iets oprechts van doen hebt. Bijvoorbeeld doordat die werken puur technisch vaak juist wat slordig kunnen zijn (mannen als Slauerhoff dreven hun uitgevers hiermee tot razernij), terwijl kitschwerken (thrillers, chicklits, series) technisch doorgaans meer dan prima in orde zijn, maar je verveelt je erin, zoals een showroomwoonkamer onbewoonbaar is. Er is geen strijd gevoerd, en dus niets gewonnen. Er is een plafond vlekkeloos gewit. Alle noten zijn op het juiste tijdstip gespeeld. De plot is netjes afgedraaid in hoofdstukken zonder spelfouten. Alsof je een avond op stap bent met iemand die geen duistere kant heeft.
Daarom bestaat er ook niet zoiets als het fameuze Tweede Boek Syndroom. Er bestaat alleen een Boek Syndroom, en dat is al ernstig zat.