Ongewoonheid

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn papieren kroniek kan bespreken. Deze week: I.M.

Zelden doet tv-drama me onmiddellijk naar een boek grijpen. De vierdelige serie I.M. van Michiel van Erp deed dat wel. Niet het gelijknamige boek van Connie Palmen, waarop de serie is gebaseerd, hoewel ik dat destijds niet las; niet Brief aan mijn moeder, dat ik wel op de stapel ‘herlezen’ legde; maar Evelien Gans, Jaap en Ischa Meijer: Een joodse geschiedenis 1912-1956 (Uitgeverij Bert Bakker, 2008).

Het eerste deel van wat een dubbelbiografie had moeten worden, maar dat stopte bij Jaap, 44 jaar en Ischa 13. In 2018 overleed Gans. In de indrukwekkende bibliotheek van non-fictie en fictie die oorlog en genocide tot onderwerp hebben, ervoer ik haar werk als een van de indrukwekkendste. Vanwege het portret van Ischa’s vader, en van joods-Nederlands en -Surinaams leven; maar ook door de honderd pagina’s over Bergen-Belsen. Gans verklaart die keuze voor wat haast ‘een boekje in het boek’ werd uit het feit dat over oorlog en jodenvervolging, zeker wat betreft Westerbork en Bergen-Belsen, relatief weinig bronnen beschikbaar waren die informatie gaven over Jaap, Liesje (echtgenote, moeder) en Ischa Meijer.

In principe, zegt Gans in haar inleiding, waren ze daar individuen, net als daarvoor, ‘maar individualiteit werd hen verregaand ontzegd. Ze maakten deel uit van een groep van wie de leden als zodanig werden vervolgd en uitgemoord’. Dus poogde ze voor zover mogelijk ‘het universum van het kamp’ op te roepen. ‘Niemand die dit universum verliet was nog dezelfde als toen hij het betrad.’ (‘Du sprichst ein grosses Wort gelassen aus’, zou ik zeggen.) Op basis van gesprekken met en dagboeken van overlevenden (Mirjam Bolle-Levie; Abel Herzberg; Louis Tas) schreef ze het verpletterende hoofdstuk ‘Creperen in een Vorzugslager’, dat naar mijn idee niet alleen het Bergen-Belsen-universum maar dat van ‘het nazi-kamp’ in het algemeen vastlegde en typeerde. We weten allemaal in globale zin van de verschrikking, maar dat woord krijgt pas betekenis wanneer we er in detail mee geconfronteerd worden, zoals daar. Dus: kom vanavond met verhalen van voordat de oorlog was verdwenen – alle malen…

In de serie wordt Ischa (gespeeld door Ramsey Nasr) thuis geïnterviewd door een jonge journaliste met cameraploeg (bij mijn weten bestaat er inderdaad zo een interview) die uiteraard eerst door de meester in het vak ontgroend en ontregeld wordt (laat dat maar aan Ischa over), maar die desondanks vragen stelt die ik nooit zou willen, durven stellen: ‘U hebt in het kamp gezeten, wat weet u daar nog van?’ Hij reageert korzelig: ‘Ik was één!! Ik zit bij moeder op schoot. Kan ik ook verzonnen hebben achteraf. Ik denk dat mijn ouders zo een klap gehad hebben dat ze niet eens weten dat ze die klap hebben gehad.’

Dit citaat uit het echt bestaande interview, of uit Palmens I.M., of van scenarist Hugo Heinen, zit in deel vier – andere passages uit hetzelfde interview komen al in eerdere afleveringen voor. Maar hier lijkt het alsof de ouders, met wie Ischa een extreem problematische verhouding had (en andersom), een soort rechtvaardiging krijgen – miniem, maar toch. Het is ook het deel waarin beide ouders, die al jaren eerder met Ischa hadden gebroken, kort na elkaar sterven. Waarbij de dood van moeder tot grenzeloos verdriet leidt, onverwacht voor de zoon zelf, en die van vader tot triomf. Twee jaar later gaat Ischa zelf plots dood. Met dat overlijden begint en eindigt de serie.

In alle afleveringen zien we eerst Connie Palmen (Wende Snijders), aan een tafel met schrijfmachine, werkend aan I.M. Dat boek komt voort uit rouw, rauwe rouw, niets dan rouw. Waarom ze op een leeg toneelpodium lijkt te zitten begrijp ik niet. Of zou het zijn dat ze daar ons, het publiek, de wereld toespreekt over wat volstrekt particulier maar uiteindelijk toch universeel is? Dit is niet kritisch bedoeld, noch over de scène zelf, noch over het naar buiten treden. Wat moet, wat kan een schrijver voor wie eigen leven inzet van het werk is, anders dan over het belangrijkste schrijven: de liefde en de dood? Nee, niet elke schrijver kiest ervoor en ik herinner me rond verschijnen van I.M., nog los van recensenten/lezers die het boek integraal tot ‘ongewenste intimiteit’ verklaarden, discussies over de manier waaróp Palmen het deed (niet kies volgens sommigen). Maar dat is een kwestie van smaak, niet van recht.

De twee meest extreem-lichamelijke passages zijn trouwens wel degelijk verfilmd: kort na begin het gelijktijdig verlies van kringspierbeheersing; en kort voor het eind de levende die op de dode klimt en het koude lichaam bevoelt, ook het geslachtsorgaan. Dat laatste een verschrikkelijke aanblik. En in mijn ogen niet volmaakt geslaagd, waarbij ik niet kan inschatten in hoever preutsheid en/of angst voor extreme lichamelijkheid me in de weg zitten. Maar om misverstand te voorkomen: wat een indrukwekkende productie is dit I.M. Na het prachtige Ramses maakte Van Erp een prachtige Ischa (en Connie).

In deze dramaserie komt Ischa zowel in het genoemde interview met de journaliste als in gesprekken met Connie als, het meest expliciet, in een sessie met zijn psychiater Louis Tas soms terug op Bergen-Belsen, waaraan hij geen herinneringen heeft maar waarvan hij voelt, weet dat het invloed op hem heeft gehad, en dat niet uitsluitend vanwege de vernietigende invloed op zijn ouders die hém weer raakte. Hij wilde, al heel jong, zo graag wéten ‘wat ik gezien, beleefd moet hebben: de wreedheid, de straffen, de honger – dat moet toch iets met me gedaan hebben? Ik had daar toch recht op?’ Maar hij stuitte, vanaf de eerste vragen rond zijn zevende, op onverbiddelijk, vijandig zwijgen of uitgesproken verbod van de ouders. Die, zegt hij, elkaar nooit tegen hadden mogen komen: twee ‘rotzakken’ die zich aan elkaar vastklampten en hem (en de andere kinderen – wvdk) volledig buitensloten. Waartegen Tas, met alle compassie voor Ischa, inbrengt dat hun zwijgen ook weer niet onbegrijpelijk is.

Die wanhopige vragen aan Tas brengen me terug bij Evelien Gans. Zij beschrijft een bezoek van Nora Roos, oud-leerlinge van het Joods Lyceum, zelf overlevende door onderduik, aan haar aanbeden geschiedenisdocent Jaap in de winter van 45-46. Van Hallstraat, Amsterdam. Kleine Ischa (3) kwam met papa opendoen, zei geen woord tegen haar, en keek op zijn knietjes in de erker uren naar buiten. Vier of vijf keer schreeuwde hij een Duitse kreet, ‘echt zoals je dat in de kampen had gehoord. Afschuwelijk, en ik wist niet hoe ik daarop moest reageren. En Jaap Meijer reageerde ook helemaal niet.’ Ze vond het zo griezelig, die kreten en het zwijgen van de vader erover, dat ze nooit meer naar het gezin terug durfde. Ja, het universum had dus iets met het kind gedaan. Het had zijn vader en moeder veranderd en getekend en hem, hoe klein ook, ook.

Ischa Meijer was onweerstaanbaar en onuitstaanbaar. Of andersom. Dat was hij voor mij, die hem alleen van radio en televisie kende, maar dat op een manier die het gevoel gaf goede kennissen te zijn, zoals je dat kunt hebben met publieke personen die je raken. Voor Connie Palmen was hij bovenal onweerstaanbaar. Hij was dat al voor hun eerste ontmoeting, het radio-interview naar aanleiding van haar succès fou-debuut De wetten. Voorbestemd, zal ze zeggen. En als ze hem aanvankelijk afwimpelt, zegt hij: ‘Die komt heus wel.’ En ja. Zelfverzekerd dus, die man, al duidt zijn eeuwige vraag ‘hoe vond je me?’, waarop ‘geweldig’ het enig juiste antwoord was, toch ook op iets anders. Het is dezelfde man die bij binnenkomen kon zeggen: ‘Hier ben ik, leuk hè?’ Als het niet om te lachen was zou je het arrogant kunnen noemen, maar daarvoor was het toch ook weer te aandoenlijk. Altijd op zoek naar bevestiging, en die volop krijgend, wat hij ook weer vanzelfsprekend vond – maar het was nooit genoeg om het gat van ontbrekende bevestiging van zijn ouders te vullen. Kijk mij, de psycholoog.

Weer slaagt Van Erp erin levende mensen te portretteren zoals je dat zelden ziet. Niet een beetje geholpen door zijn hoofdrolspelers. En weer slaagt hij erin, net als in Ramses, een periode, een cultuur overtuigend daar omheen te schetsen. Feest der herkenning voor wie oud genoeg is. (Waarbij ik me realiseer dat ik niet goed kan beoordelen hoe je tegen dit verhaal aan kijkt als je niet herkent, niet weet.) Feest ook omdat het een overtuigende en ontroerende liefdesgeschiedenis is van twee hoogst ongewone mensen. Waarbij de ongewoonheid van Connie Palmen hier in het niet valt bij die van die getalenteerde, onmogelijke, beschadigde man. Haar ongewoonheid schuilt nog het meest in – nee, niet het aangaan van deze relatie want dat is sterker dan zijzelf, maar in het volharden – ondanks de complexiteit die de geliefde meedraagt. Waardoor ze andere vrouwen, inclusief hoeren, moet accepteren; stemmingswisselingen, mateloze jaloezie op haar succes, kinderachtige reacties die daaruit voortvloeien, onmogelijk gedrag in het openbaar. Hoewel ze dat laatste juist vaker leuk dan onaangenaam vindt.

Ramsey Nasr is, ondanks kilo’s aangekweekt buikvet (De Dikke Man immers) en bestudeerde motoriek, mimiek en intonatie, natuurlijk Ischa niet – hoe zou het kunnen? Maar soms is hij het verbluffend wel, en sterker, al snel doen de verschillen er niet meer toe, omdat ze uiterlijk zijn – naar de geest is hij Ischa. Hooguit herinner ik me die nog iets vileiner, hoe onmogelijk hij zich ook hier kan gedragen. Mateloos, gulzig, genietend en latende genieten, breed getalenteerd, geestig, charmant en etterbak. En ja, hoewel we dat driejarig joch in die erker in de Van Hallstraat niet te zien krijgen, is hij er wel. En het is Connie Palmen die dat gezien heeft. En het soms geschokt, vaker met intens mededogen beziet. Zonder dat dat hun gelijkwaardigheid schaadt. Wende Snijders is ook geweldig. Ze kijkt vooral, heel vaak, heel lang, en dat is prachtig. De Palmen die ik ken, als publieke figuur, is minder aardig dan de Palmen gespeeld door Snijders, maar ‘aardig’ blijkt een categorie die door mij belangrijker wordt gevonden dan door veel anderen. Je koopt er misschien ook niet veel voor. Bovendien, wat weet ik van zo iemand, zeker in een liefdesrelatie? In het echt, bedoel ik. Ze heeft veel van hem gekregen, met hem geleefd en genoten, vooral bij hun reizen naar Amerika, waar ze zich werkelijk vrij voelden en er niet aan hen getrokken werd; en ze heeft hem gesteund en verdragen. Drie jaar. Daarna was er immense pijn en uiteindelijk een boek. En een serie.

Zie ze voorbij komen: Leonie Smit (VPRO); Cor Galis; Mai Spijkers; Louis Tas; de ouders en tante van Connie (die in hun vriendelijkheid Ischa ontwapenen); Ischa’s broer Job; Joop van den Ende; Frans Weisz en vele anderen. En natuurlijk Annie Schmidt. Jammer genoeg vond ik het interview met haar (hier voor de radio, hij heeft haar waarschijnlijk vaker geïnterviewd) tegenvallen omdat het uiteraard veel korter is maar vooral ook inhoudelijk niet in de buurt komt van het fameuze tv-interview dat de echte Ischa met de echte Annie had en dat een klassieker is (en waaraan hier wel kleinigheden zijn ontleend). Daar zullen jongere kijkers geen last van hebben. Die raad ik aan het alsnog te bekijken.

Lof trouwens ook voor Oude Scenariomeester Hugo Heinen vanwege intelligente compositie, spelend met het tijdsverloop. In cirkelvorm: van begraafplaats Zorgvlied naar Zorgvlied. En vanwege sterke, geloofwaardige, levensechte dialogen. En levensecht zwijgen.


Michiel van Erp (regie), Hugo Heinen (scenario), I.M., AVROTROS, vanaf maandag 28 december t/m vrijdag 1 januari (behalve donderdag), NPO 1, 22.35 uur