Bruce Bawer, Terwijl Europa sliep

Ongezouten Amerikaan

Bruce Bawer

Terwijl Europa sliep

Vertaald door Thijs Bartels

J.M. Meulenhoff, 311 blz., 20,95

Van de vele boeken die sinds de aanslag op de Twin Towers zijn geschreven over de moeizame verhouding tussen Europa en Amerika verenigt Terwijl Europa sliep van de Amerikaanse journalist Bruce Bawer misschien wel het beste en het slechtste. Bawer rijgt anekdotes, minder bekende nieuwsfeiten en persoonlijke observaties aaneen tot een ontluisterend portret van Europa waarin we onszelf tegen wil en dank herkennen als multiculturele dagdromers die als het ware door de opkomst van het islamitisch fundamentalisme heen geslapen hebben en nog immer weigeren de realiteit ervan onder ogen te zien. Daarbij moeten we Bawers ongezouten anti-Europeanisme, ingegeven door een emotionele en politieke voorliefde voor zijn eigen geboorteland, maar beschouwen als tegengif voor alle onzinnige uitingen van anti-Amerikanisme die sinds die fatale elfde september de Europese revue passeerden.

Het voorlopig dieptepunt daarvan was een boek van de Fransman Thierry Meyssan dat de verantwoordelijkheid voor de aanslagen toeschreef aan de Amerikaanse regering zelf en dat ondanks vernietigende kritieken in de Franse dagbladen wekenlang boven aan de bestsellerlijst stond. Volgens Bawer heeft onze instinctieve afkeer van de militaire en culturele suprematie van de Verenigde Staten – een afkeer die openlijk of bedekt leeft bij een groot deel van de culturele en politieke elite van Europa – ons veel te lang in staat gesteld de ogen te sluiten voor een veel grotere bedreiging van onze politieke vrijheid en autonomie. Die bedreiging gaat uit van de gestaag groeiende moslimenclaves in vrijwel alle Europese naties waarin groepsdwang, godsdienstige orthodoxie, geweldpleging en discriminatie van vrouwen, joden en homoseksuelen vrij spel hebben of zelfs ondersteund worden door van overheidswege gesubsidieerde islamitische instituties.

Bawer kwam er zelf mee in aanraking toen hij het als homoseksueel eind jaren negentig benauwd kreeg van het oprukkende christenfundamentalisme in eigen land en New York verruilde voor achtereenvolgens Amsterdam en Oslo. Amsterdam in het bijzonder kwam hem voor als «de toonaangevende grens van een wereld die de onverdraagzaamheid achter zich had gelaten», maar hij ontdekte al snel dat onze tolerantie zich ook uitstrekte tot groepen migranten die onze politieke cultuur en vrijheden allerminst willen respecteren, laat staan overnemen. Zijn aanvankelijke opluchting over de Europese verdraagzaamheid sloeg om in een bijna lijflijke weerzin tegen het continent. Die weerzin geldt niet eens zozeer de groepen migranten die zich voor hem, als homoseksueel, als een existentiële bedreiging ontpopten omdat ze homoseksuelen (evenals joden en westerse vrouwen) steeds vaker met geweld en openlijke haat bejegenen. Bawer heeft het vooral voorzien op het Europese politieke establishment dat zulke bedreigingen en de achterliggende godsdienstige geestendrijverij ontkent of toejuicht als blijk van «eigen culturele identiteit», teneinde een illusie van multiculturele harmonie te scheppen.

Over Bawers stelling dat de voltallige Europese elite in hart en nieren sociaal-democratisch is en betrokken bij een reusachtig complot om het continent door culturele zelfmoord te gronde te richten, kunnen we kort zijn: allemaal onzin. Maar hij heeft gelijk wanneer hij schrijft dat de krachteloze en onwaarachtige Europese mantra van de «dialoog als oplossing voor politieke conflicten» soms meer kwaad dan goed doet. Met godsdienstige fanatici is geen dialoog mogelijk. Amerikanen begrijpen de radicale, onverzoenlijke aard van godsdienstig fundamentalisme veel beter dan Europeanen. «Amerikanen worden omringd door religie. Zelfs als je niet religieus bent, is het in de Verenigde Staten zeer waarschijnlijk dat je vrienden, familieleden, buren of collega’s hebt wier religieuze identiteit niet slechts een theoretische kerkelijke band is, maar van een diepe overtuiging getuigt.» Er zijn maar weinig niet-islamitische West-Europeanen die deze kennis uit de eerste hand hebben. Nu ze zelf niet meer in staat zijn om godsdienst serieus te nemen, kunnen ze zich niet voorstellen dat anderen hun godsdienstige verplichtingen wel serieus nemen, aldus de auteur.

Wordt onze zogenaamde verdraagzaamheid jegens moslims wel door zoveel oprecht begrip ingegeven? «De zogenaamde reden is dat men verschillen respecteert; de echte reden, zoals ik langzaamaan begon te begrijpen, was een grondig onbehagen met het idee dat ‹zij› ‹wij› zouden worden. Immigranten in Europa mogen de meest afschuwelijke aspecten van hun cultuur behouden, maar de andere kant van de medaille is dat niemand, inclusief zij zelf, hen ooit zal beschouwen als Nederlander, Duitser of Zweed. De meeste Amerikanen zouden denk ik geschokt zijn als ze inzien hoe ver Europa hier van Amerika af staat.»

Amerika behandelt zijn immigranten als toekomstige Amerikanen en verwacht dat zij zich als verantwoordelijke individuen opstellen. Europa behandelt de hare als toekomstige behoeftigen die voor altijd deel zullen uitmaken van een groepscultuur die ze uit hun land van herkomst meenemen. Bawer haalt schrijnende voorbeelden aan uit het boek Min tro din myte («Mijn geloof, jouw mythe») van de Irakees Walid al-Kubaisi, die in Noorwegen maar niet mocht loskomen van zijn cultuur van herkomst omdat de smillingere (Noors voor multiculturele «lachebekjes») daar een stokje voor staken. Al-Kubaisi dreef de directeur van een Noors cultureel centrum tot radeloosheid met de eenvoudige vraag of moslims de vrijheid moesten hebben om hun godsdienst te kritiseren of zich tot iets anders te bekeren. «Je bent een moslim, Walid, en je mag je identiteit niet verloochenen. Als je een Noor wordt, zullen wij je niet meer zien zoals je bent. Je moet jezelf blijven.»

De gebruikelijke verklaring voor de veel betere integratie van Amerikaanse moslimmigranten luidt dat zij behoren tot de beter opgeleide en internationaal georiënteerde bovenlaag van hun land van herkomst, terwijl Europese moslimmigranten in meerderheid behoren tot de laagst opgeleiden van het Arabische en Noord-Afrikaanse platteland. Bawer draait die verklaring om en wijst op het feit dat hooggekwalificeerde migranten in Europa alleen met de grootste moeite een baan kunnen vinden. De starre Europese bureaucratie en het groepsegoïsme van Europese artsen, academici en technici beletten dat zij aan de bak kunnen komen. In Amerika worden zij aangenomen op grond van hun kwalificaties en niet geweerd vanwege hun achternaam, huidskleur of godsdienst. Geen wonder, aldus Bawer, dat ze liever naar de VS emigreren.

Geen wonder ook dat Europese moslimmigranten door deze van hogerhand bevorderde segregatie in toenemende mate in getto’s leven. In fysieke getto’s, waar ze feodale praktijken uit het land van herkomst voortzetten en onderworpen worden aan groepscontrole en het gezag van tribale potentaten. Maar ook in een geestelijk getto, waar ze ontvankelijk zijn voor een orthodoxe prediking die hen dwingt zich van de westerse samenleving af te keren. Het mag misschien zo zijn dat de Verenigde Staten de 11 september-aanslagen over zichzelf afgeroepen hebben, zoals Europeanen hun graag voorhouden, maar dan moeten we ook erkennen dat de Moussaouis, de Bouyeris en de mullah Krekars product van Europese makelij zijn.