Onhandig

Enkele dagen optrekken met mijn dochter leerde me dat de jeugd niet kan zonder zinsbegoochelingen.

Misschien is jeugd het scheppen van illusies, volwassenheid het waarmaken van illusies en ouderdom het verlies van illusies. (Schrijf maar op.)

Mijn dochter legt tussen haar dromerige vergezichten logische verbanden. Terwijl ik met logische redeneringen samenhang tussen mijn nachtmerries probeer te schetsen. Is het mijn eigen verval dat enkele van haar denkbeelden kapot wil maken?

Nee, de mens is niet goed, maar door en door slecht. Hij kan niet anders om te overleven. Nee, het leven heeft geen zin, zelfs niet als je een religie aanhangt. Nee, het lot heb je niet in de hand en de mens is niet maakbaar. De maatschappij is dat wel, maar vooruitgang gaat met stapjes van muizen die de processie van Echternach in hun pootjes hebben zitten.

Is Parijs in verval?

Wij bevinden ons in het toeristengebied en dat ziet er goed uit. De musea lijken ook in orde. We vermaken ons opperbest. Na elk uitstapje gaan we in een café zitten en mag vader verhalen vertellen. Ik vertel haar dat ik heb ontdekt dat na seks en eten het vertellen van verhalen mijn grootste genoegen is.

‘Maar je liegt altijd alles.’
‘Nee, ik maak de verhalen mooier’, zeg ik.

Het doet me denken aan mijn ouders die elke dag zeiden dat ze elkaar liefhadden, maar geen gelegenheid voorbij lieten gaan om met elkaar ruzie te maken.

Bestaat levenslust nog wel als je de dood gaat bewonderen?

‘Hij kan zelfs over het kamp vertellen alsof het een avonturenroman is’, zei mijn moeder.
‘Ik heb nog nooit iets over het kamp verteld’, zei hij.
‘Jawel, je houdt er niet over op.’

Mijn vader vertelde inderdaad niet over het kamp, en ja, hij hield er niet over op. Net als mijn moeder overigens. Mijn vader vertelde verhalen van anderen, nooit over wat hij had meegemaakt. Wat hij in boeken had gelezen, op de televisie had gezien, in de krant had opgemerkt, vertelde hij na. En het waren geen avonturenromans, het waren bittere opinies. Juist om niets over zichzelf te zeggen. Misschien wordt bitterheid genetisch doorgegeven. Wanneer moeder vertelde waren dat verhalen van twee regels. ‘Heel veel honger gehad. Het was geen leuke tijd.’ ‘Ik heb lijken afgelegd. Die stonken vaak.’ ‘De Jappen hebben me geslagen. Dat deed pijn, hoor.’

Ik hoor beider vertellingen nog regelmatig in mijn hoofd echoën.

‘Hoe komt dat?’ vraagt mijn dochter.
‘Het gebeurt. Omdat ik steeds vaker besef dat ze niet goed wisten hoe ze met hun eigen oorlogen moesten omgaan. Ze stonden onhandig in het leven.’

Zoals zij in het leven stonden, sta ik ook in het leven. Onhandig. Nooit precies wetend wat je moet zeggen. Nooit ontspannen. Te snel in te hoge, zenuwachtige versnelling. Wie overschreeuwt zichzelf daar? Dat ben ik. Mijn bijzinnen krijgen daarentegen steeds meer vertakkingen, die niet meer boeiend zijn, maar ik wil een wereld schetsen en ik besef dat die wereld niet meer bestaat. Dat was ook de reden dat mijn ouders niet met ons over het kamp spraken. Die wereld bestond niet meer.

Dochter gaapt. Ik wil naar de Notre-Dame om te kijken wat er na de brand van over is, maar ik stel het niet voor. Vergankelijkheid is als guur weer; het is niet erg als het je overvalt, maar je moet het zien te vermijden.

Even later lopen we langs het kerkhof van Montmartre. De avond is gevallen en het kerkhof is nergens verlicht. Het maakt een sinistere indruk. Hier liep ik ook met mijn ouders.

‘“Hier wonen de doden”, zei mijn vader. Ik vond dat zo eng dat ik mijn ogen dichtkneep. Het is nu niet eng meer, maar mooi.’ Bestaat levenslust nog wel als je de dood gaat bewonderen? Nu durf ik mijn ogen niet te sluiten.