Onheil

Ach ja, de jeugd.

Ze zien een grootvader voorbijlopen.

Hij heeft evenveel onderliggend lijden als hij pillen slikt.

En hij slikt er een handvol.

Wacht, opa gaat iets zeggen: ‘Zeg, jullie moeten meer afstand houden. Jullie worden misschien niet zo erg ziek, maar ik wel.’

De knapste jongen staat bij het mooiste meisje. Hij denkt er niet aan ook maar één stap te verzetten. Hij wil een held zijn. Voor haar. Heldendom is: niet luisteren naar een oude drol met grijs haar en een bril op. Heldendom is bereid zijn tot vechten. De jongen mag dan ontwikkelde spieren hebben, zijn smoelwerk toont onontwikkelde denkspieren. ‘Hou zelf afstand, eikel’, zegt hij. ‘Zal ik zeker doen nu ik die putlucht uit je domme bek ruik’, zegt de lieve grootvader die zich meteen schaamt. Het meisje gniffelt. Ze houdt de jongen tegen.

Grootvader loopt voorbij en neemt zich voor uit de buurt te blijven van de jeugd.

Later op de dag schuifelt hij met oma naar de kleinkinderen.

Maar als ze op weg zijn, ziet hij drie jonge studenten – uiteraard niet op de gewenste afstand – met een Albert Heijn-karretje bij de glasbak staan. Ze gooien er vele flessen in. Een oudere dame (van pakweg vijftig) komt langs en de jongens weigeren voor haar opzij te gaan. Opa denkt: mooi, hoef ik niets tegen die studenten te zeggen, dat gaat die mevrouw wel doen. Maar de dame groet de jongeren, kent er een paar van en zegt, wijzend op de flessen: ‘Zo… dat ziet eruit als een feestje.’ De jongens lachen en één zegt, al participerend op een vervolgvraag: ‘We gaan morgen weer zuipen.’

Als ik zwijg omdat het toch niets uitmaakt, heb ik verloren van mijn eigen geweten

Niemand heeft meer angst. Alleen opa. Hij heeft zich kwaad gemaakt over een antiracisme-demonstratie op de Dam en werd onmiddellijk zelf voor racist uitgemaakt. Ja, zij zullen als jonge mensen geen gevolgen ondervinden, maar ze kunnen opa wel besmetten. Uit goede bron heeft hij gehoord dat er vele intellectuelen meeliepen van zijn eigen leeftijd. En zijn eigen dochter deed ook mee.

‘Loop nou maar door. Jij zat vroeger lazarus op je fiets en nota bene ook in je auto’, zegt oma.

Dat is waar. Daarom weet opa dat de jeugd naar niks luistert. Opa luisterde ook naar niemand. Opa liet zijn geloof in een betere wereld ook voor veiligheid gaan, zelfs voor zijn eigen gezondheid.

De moraliteit van opa was vroeger zo rot als een mispel. Hij vond geweld tegen het grootkapitaal gerechtvaardigd. Had hij een rookbom gehad, hij zou hem naar de koningin hebben gegooid. Wanneer er grote winkels waren uitgebrand omdat die goederen uit een hongerland verkochten, zou hem dat niets deren. En de zin: ‘Dat moest verboden worden!’ lag in opa’s mond bestorven.

Als ik zwijg omdat het toch niets uitmaakt, heb ik verloren van mijn eigen geweten dat voorschrijft dat ik de jeugd bestraffend moet toespreken om groter onheil te voorkomen, denkt grootva. En hij mijmert verder: dat mijn moraal door de jeugd waardeloos gevonden wordt, is niet erg, maar als ik hen ook waardeloos vind, dan knaag ik aan mijn eigen geweten en word ik op den duur gewetenloos.

Ze komen bij het huis van de kleinkinderen. Het is verboden om naar binnen te gaan omdat een van de kinderen snottert. Opa en oma kijken naar boven, naar het raam, telefoon in de hand.

‘Opa en oma staan voor het raam! Kom nou!’ hoort opa via de telefoon. En na een halve minuut: ‘En nu ophouden en voor het raam gaan staan! Daar staan opa en oma!’

‘Niet zo schreeuwen, mam!’ zegt de oudste.

Dan staan de kinderen voor het raam. Ze zwaaien.

Opa is zo verschrikkelijk bang om nu te sterven. En hij wordt steeds banger; z’n moraal breekt er bijna van.