Maar tegen wie?

Onheilige oorlog

«Oorlog tegen de terreur», vóór Zwarte Dinsdag leek het een contradictio in terminis. De Verenigde Staten schreeuwen om wraak en zijn vastbesloten alle terroristen waar ook ter wereld uit te roken. Ook Nederland verklaarde de oorlog, maar aan wie eigenlijk?

Bijna een week na Zwarte Dinsdag komen de raderen van het Amerikaanse systeem weer op gang. Het totale aantal slachtoffers in de ingestorte Twin Towers van New Yorks World Trade Center en het Pentagon kruipt naar de zesduizend. Reddingswerkers zijn nog altijd dag en nacht in touw, al valt er weinig meer te redden. In het hele land zijn stars & stripes uitverkocht. De Verenigde Staten troosten zich met een krachtig maar gevaarlijk medicijn: agressief patriottisme. Daaronder valt ook «het kopen van aandelen», zodat de «terroristen niet hun zin krijgen in het lamleggen van onze economie». De burgers worden door de autoriteiten nadrukkelijk gestimuleerd tot «normaal consumentengedrag».

Nu de schok van het Armageddon langzaam wegebt, doemen vele vragen op. Is de wereld blijvend veranderd, zoals menig commentator in de eerste dagen na de ramp stelde? Is het werkelijk «freedom itself» dat werd aangevallen, zoals Bush in een van zijn eerste emotionele reacties zei? Wie kan erachter zitten? Rechtvaardigen de aanslagen de wereldwijde oorlog waarop president Bush en zijn kabinet aansturen? Zal de democratische vrijheid worden ingeperkt in de strijd tegen het terrorisme? Wordt de Navo en daarmee een groot deel van Europa net als ten tijde van Kosovo meegesleurd in een onzalig conflict dat niets oplost?

Het zijn vragen die (nog) niet eenduidig zijn te beantwoorden. Een Saoediër die werd genoemd als een van de kapers, blijkt nog gewoon woonachtig in zijn vaderland. Enkele jaren geleden was zijn paspoort in Amerika gestolen. Bij het ter perse gaan van deze krant waren er nog altijd geen harde bewijzen voor de betrokkenheid van de van oorsprong Saoedische terrorist Osama bin Laden die zich zou schuilhouden onder de vleugels van het extremistische moslimregime van de Taliban in Afghanistan. Volgens Pakistaanse kranten zou hij zaterdag nog in Kaboel een bijeenkomst hebben gehouden met vijfhonderd van zijn volgelingen die een eed van trouw op hem zwoeren. Zondag verliet hij in een stoet van paarden de stad om veiligheid te zoeken in de heuvels.

Zowel Bush als zijn minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell noemde Bin Laden als hoofdverdachte, maar kwam niet met definitief bewijs op de proppen. Dat het brein achter de aanslag moet worden gezocht in het Midden-Oosten is volgens de FBI echter duidelijk. In het grootste onderzoek uit zijn geschiedenis bleek al snel dat de kapers allemaal afkomstig waren uit Arabische staten. Ook de reactie van de VS is niet met zekerheid vast te stellen. Zeer waarschijnlijk zal die militair zijn, en gericht op Afghanistan. President Bush en zijn kabinetsleden bezigden al meteen na de aanslagen oorlogstaal. De aanslagen werden «een daad van oorlog» genoemd en bij verschillende gelegenheden stelde Bush dat Amerika in oorlog is. Maar hoe massaal zal de Amerikaanse tegenaanval uitpakken en hoe zal de moslimwereld reageren?

Oorlog tegen «the evil folks»

«Dit nooit weer», verzuchtte een van de aanwezigen op de bijeenkomst van Navo-defensie ministers in Toronto enkele maanden na het beëindigen van de luchtoorlog tegen Milosevic’ Joegoslavië, herinnert generaal Wesley K. Clarke, voormalig opperbevelhebber van de Navo, zich in zijn boek Waging Modern War. «Het was een moeilijke en pijnlijke ervaring geweest. Het conflict was complex, controversieel en voor het publiek vaak verwarrend. Sommigen zeiden dat het nooit uitgevochten had moeten worden. Anderen zeiden dat het nooit gewonnen kon worden. Zelfs nadat het beëindigd was, vroegen velen zich af wat het had opgeleverd.»

Het zijn niet bepaald opbeurende woorden die Wesley Clarke wijdt aan het einde van de bombardementen op Joegoslavië. Toch storten de VS en Clarke zich, live op CNN, enthousiast in een nieuw conflict. «America’s New War» staat met bloedrode letters onder in beeld terwijl de oud-bevelhebber op een kaartje van Centraal-Azië vier pijlen tekent. Ze verdwijnen in het hart van Afghanistan. «We kunnen aanvallen van vier kanten. De inzet van landstrijdkrachten is moeilijk, maar niet onmogelijk», zegt Clarke. Veel twijfels lijkt hij niet te hebben.

Zou ook de «Nieuwe Oorlog» eindigen in een desillusie? Ditmaal krijgt het conflict niet het misleidende stempel van «humanitaire interventie». Deze keer is het oorlog, een «nieuwe oorlog», zoals de Amerikaanse president Bush niet moe wordt te benadrukken. Nieuw omdat hij gevochten wordt tegen «een nieuw soort kwaad». Tegen het mondiale terrorisme, «the evil folks», «a bunch of bastards». Nieuw omdat deze oorlog gevochten wordt tegen een nagenoeg onzichtbare vijand die zich overal kan schuilhouden, zowel onder de eigen bevolking als in een kapotgebombardeerd en hongerend land als Afghanistan dat al 22 jaar geen dag vrede heeft gekend. De evil folks vormen een vijand die zich «als een kanker in onze samenleving heeft genesteld».

De eerste oorlog van de 21ste eeuw zal er een worden die de wereld blijvend zal veranderen, meent menig commentator. Maar nieuw is de groots aangekondigde en aangepakte strijd tegen het terrorisme allerminst. Na de aanslagen op twee Amerikaanse ambassades in 1998 kondigde Clinton al aan dat Amerika niet kon rusten voordat «het Kwaad» van het terrorisme was uitgeroeid met wortel en tak. En ook toen al werd Bin Laden, die voor het eerst in beeld was gekomen in het onderzoek naar de bomaanslag op het World Trade Center in 1993, genoemd als hoofdverdachte. De aanvallen met kruisraketten op zijn trainingskampen in Afghanistan en een door hem gefinancierde chemische fabriek in Soedan (die slechts medicijnen bleek te fabriceren) had echter geen enkel effect. En ondanks het toenmalige recordbedrag van 6,7 miljard dollar voor terrorismebestrijding door de CIA en de FBI dat Clinton goedkeurde, kon Zwarte Dinsdag niet worden voorkomen.

Sinds de Golfoorlog van 1991 tegen Irak wordt veel gesproken over asymmetrische oorlogsvoering, waarbij beide tegenstanders elkaar te lijf gaan met ongelijke middelen. De moderne oorlogsmachine van de Amerikanen versus de zelfmoordcommando’s van de terreur. De een kan het zich niet veroorloven onschuldige burgers te doden, de ander richt zich juist op symbolische doelen waarin zich zoveel mogelijk burgers bevinden, ten einde een zo groot mogelijke paniek en ontwrichting te veroorzaken. Defensiedeskundigen als Rob de Wijk (Clingendael) en Lawrence Freedman (Kings College) laten er geen misverstand over bestaan dat de VS iets moeten doen, willen ze hun geloofwaardigheid en hun positie als wereldmacht behouden. De schade die dat toebrengt aan de terreurnetwerken is doorgaans minimaal, terwijl elke Amerikaanse aanval weer voedsel geeft aan de haat, het klimaat waarin terreur gedijt. Volgens Freedman is «onder deze omstandigheden terughoudendheid aan te bevelen, passiviteit niet. Maar gewapend optreden, zelfs als het slechts om dreigementen gaat, moet ondersteund worden door diplomatie.»

Vlak bij de Armory in Manhattan, een oude kazerne waar familieleden de vermiste gebruikers van het WTC kunnen laten registreren, staat een rode krantenbak van de Village Voice. Het gratis weekblad heeft dinsdag in allerijl een nieuwe voorpagina gemaakt, met een forse foto van het brandende WTC, begeleid door de tekst: «The Bastards!» De omslag was illustratief voor de oorlogszuchtige stemming die het land vorige week in haar greep had.

Staatssecretaris van Defensie Paul Wolfowitz vond dat landen die terreur ondersteunen «beëindigd» moeten worden. Een paar dagen later werd gezegd dat hij het beëindigen van relaties had bedoeld, maar het massapsychologische effect was niet meer terug te draaien. Analisten en gepensioneerde militairen riepen op tv dat het leger meteen naar Afghanistan moest om Osama bin Laden en al zijn geestverwanten uit te roeien. Dominee James Elliott zei in een on line-discussie: «Waarom zien we nog geen paddestoelwolken boven Kaboel?» In een peiling afgelopen vrijdag op de website van CNN vond 79 procent van de 130.000 ondervraagden dat Kaboel gebombardeerd moest worden als Afghanistan zou weigeren Bin Laden uit te leveren.

Tegenstanders zijn duidelijk in de minderheid, en ze komen niet langs bij de grote media. Maar ze zijn er. Kleine kritische media zetten vraagtekens bij de agressieve stemming en bepleiten diplomatieke aanpak.

Oorlog vraagt om eensgezindheid en het Congres stelde de president niet teleur. Bijna unaniem gaf het toestemming tot actie om de daders van de aanslag te pakken. De enige dissident was de pacifistische afgevaardigde Barbara Lee uit Californië, die verklaarde: «Ik ben ervan overtuigd dat militaire actie verdere terroristische acties tegen de VS niet zullen voorkomen.»

De president heeft de instemming van het Congres niet echt nodig. Artikel I-8 van de constitutie zegt dat het Congres moet beslissen, en II-2 dat de president de baas is over het leger. Harry Truman negeerde het Capitool toen hij met Korea in oorlog trad. De War Powers Act uit 1973 geeft de president negentig dagen de tijd om het Congres om goedkeuring te vragen nadat troepen het terrein van de vijand hebben betreden. Maar presidenten kunnen die regel negeren onder verwijzing naar II-2. Dat het nu waarschijnlijk niet gaat om een land, maar om een groep, maakt voor de constitutie niet uit. Artikel I stelt dat misdaden tegen «the law of nations» genoeg zijn voor een oorlogsverklaring, ongeacht de status van de dader. In 1801 kreeg president Jefferson op die manier toestemming ten strijde te trekken tegen zeepiraten in de Middellandse Zee.

Nieuwe verhoudingen

Minister Powell is druk doende een mondiale coalitie te smeden tegen het terrorisme. Een novum daarbij is dat de Amerikanen de vergaande steun hebben van zowel China als Rusland. Ook China heeft opstandige moslims onder zijn miljardenbevolking. Maar of deze toenadering werkelijk revolutionaire gevolgen zal hebben voor de geopolitieke verhoudingen, valt nog te bezien.

Wat wellicht wél te veranderen staat, is de Amerikaanse tactiek om in buitenlandse conflicten partij te kiezen in plaats van (slechts) te bemiddelen. Dat gebeurde zowel in Vietnam als in Somalië, ex-Joegoslavië en het Midden-Oosten (tegen Irak en de Palestijnen). In het almaar voortwoekerende conflict tussen Israël en de Palestijnen gaat de Amerikaanse bemiddeling, op een laag pitje gezet onder Bush jr., samen met wapenleveranties en donaties aan Israël. Iets wat hen door de Palestijnen en veel andere moslims niet wordt vergeven. De kans dat de terreuraanvallen van vorige week dinsdag direct met dat conflict in verband staan, is niet denkbeeldig. Het zou betekenen dat de Amerikanen uiteindelijk wel moeten inzien dat ze gebaat zijn bij vrede in het Midden-Oosten. In Israëlische kringen wordt gevreesd dat de VS hun macht zullen aanwenden om vooral Israël tot concessies te dwingen. Al meteen na de aanslagen drongen de Amerikanen bij de Israëlische premier Ariel Sharon ongemeen fel aan op een staakt-het-vuren.

Welingelichte Amerikanen beseffen maar al te goed dat de aanslagen van afgelopen dinsdag niet letterlijk en figuurlijk uit de lucht kwamen vallen. Ze houden verband met hun status van supermacht en meer in het bijzonder met de overwinningen en mislukkingen die zij de afgelopen vijftig jaar in oorlogsgebieden hebben geboekt. Buiten de schijnwerpers van CNN en andere grote Amerikaanse media ontsponnen zich onmiddellijk wetenschappelijke en principiële discussies over de vraag in hoeverre de VS de aanslagen konden zien aankomen of zelfs over zichzelf hadden afgeroepen.

Robert Perry, de journalist die het Iran/Contra-schandaal aanhangig maakte, wijst in een eerste reactie op de «vergeten geschiedenis» van Amerikaanse steun aan gewelddadige regimes, doodseskaders en krijgsheren in alle delen van de wereld. Perry: «Als het grote publiek hierover niet beter wordt geïnformeerd, dan ben ik bang dat die geschiedenis geen afgesloten hoofdstuk is, maar de proloog van een nog verderfelijker optreden in de naaste toekomst.»

«Hoe komt het dat de VS alle terroristen opleiden?» schreef een activist op de website van The Nonviolence Web. «Of het nu gaat om Osama bin Laden, om Ramzi Ahmed Joesef die al in 1993 een bom in het WTC legde of om Timothy McVeigh die een overheidsgebouw in Oklahoma opblies, allemaal hebben ze een Amerikaanse militaire opleiding genoten of gedurende hun gewelddadige carrière steun van de CIA gekregen. Dezelfde dynamiek zie je ook op het niveau van nationale staten die zich tegen de VS keren, zoals het Irak van Saddam Hoessein.»

Kathy Kelly, woordvoerster van de organisatie Voices in the Wilderness die campagne voert tegen de economische sancties jegens Irak, reageerde woedend op de verklaringen van minister Colin Powell waarin hij onder meer zijn weerzin uitsprak over «het gebruik van geweld tegen burgers met als doel hun regeringen tot andere gedachten te brengen». Kelly: «Dat is precies wat de VS al tien jaar doen in hun optreden tegen Irak. Daarom kan het niemand verbazen dat anderen, buiten de VS, dezelfde barbaarse gedachtegang op Amerikaanse burgers toepassen.»

Ook de Texaanse hoogleraar journalistiek en commentator Robert Jensen ging in de tegenaanval: «Men zegt dat alle Amerikanen nu achter de president en de vlag moeten gaan staan, maar ik sta niet achter een leider die tot oorlog oproept, zelfs nu niet. Deze daad was niet laffer of verachtelijker dan de massaterreur — het welbewust vermoorden van burgers voor politieke doeleinden — die de Amerikaanse overheid zo vaak tijdens mijn leven heeft gepleegd. Gedurende meer dan vijf decennia hebben de VS in de hele Derde Wereld met opzet burgers aangevallen of zulk willekeurig geweld toegepast dat je het niet anders dan terrorisme kunt noemen.»

Aan de telefoon vanuit het Foreign Policy Institute in Washington laat onderzoekster Phyllis Bennis, diva van het linkse buitenland-establishment, er geen twijfel over bestaan dat de arrogantie van het Amerikaanse optreden in de wereld deze spectaculaire aanslagen heeft uitgelokt: «De grootste fout die dit land de laatste vijftig jaar heeft gemaakt, is zijn vertoon van superioriteit. Het is de arrogance of empire die ons ertoe bracht met twee maten te meten, net als de Grieken en Romeinen van weleer: één maat voor ons en een andere voor de rest van de wereld. De Amerikanen zijn nu op de meest gruwelijke wijze gestraft voor die illusie van onkwetsbaarheid. Maar ook nu zie ik weinig tekenen van loutering, van een doorbrekend besef dat we de wortels van dit probleem moeten aanpakken, dat we niet militair moeten reageren maar eindelijk, eindelijk serieus samenwerken met andere landen. In de eerste plaats moeten de VS nu meewerken aan de oprichting van een internationaal strafgerechtshof voor misdaden tegen de menselijkheid. Dáár moeten de organisatoren van deze aanslagen worden berecht, juist om de wereld te laten zien dat Amerikanen geen bijzondere mensen soort zijn maar onderhevig aan dezelfde rechtsbeginselen als de rest van de mensheid.»

Over de precieze wisselwerking van interventie en reactie in het Amerikaanse buitenland beleid zal de komende tijd druk van gedachten worden gewisseld, en niet alleen ter linkerzijde. In kringen van isolationisten, zoals de Libertarians die een onbeperkt geloof in de vrije markt combineren met afkeer van iedere vorm van Amerikaanse inmenging in de wereld, wordt minder moralistisch gedacht over de internationale politiek. Volgens Ivan Eland, vooraanstaand analist van hun denktank, het Cato Institute, roept elke Amerikaanse interventie in de wereld een terroristische reactie op, en niet noodzakelijkerwijze van buitenlandse origine.

«Niet alle interventies waren ongerechtvaardigd», meent onderzoeker Charles Peña van het Cato Institute, «zelfs niet in het licht van afgelopen week, en wij willen absoluut de indruk vermijden dat we de schuld voor zulke gewelddadige reacties bij ons eigen land leggen. Maar we vinden dat de VS hun activistische, militaire aanwezigheid in de wereld opnieuw moeten overwegen en alleen gewapend mogen optreden waar dat nodig is voor de bescherming van het eigen territorium. We hebben niks te zoeken in Zuid-Korea of in grote delen van het Midden-Oosten, het is niet onze taak de politieagent van de wereld te zijn en het is zelfoverschatting om te denken dat we dat wél kunnen. Dat hebben we afgelopen week gezien.»

De prijs van democratie
«Today freedom itself was attacked by a faceless coward», sprak president Bush op de dag van de aanslagen. Bush baseert er zijn oorlogsretoriek op: wie de vrijheid aanvalt, komt aan het hoogste goed van de democratie.

Direct na de aanslagen kampte Bush met een imagoprobleem. Hij werd in Air Force One gezet en heen en weer gevlogen. Later, toen er kritiek kwam dat hij niet op zijn post in het Witte Huis was, of tenminste eerder dan Bill Clinton in New York, werd aangegeven dat de geheime dienst Bush had gezegd dat Air Force One en het Witte Huis doelen waren en hij daarvan weg moest blijven. Geen heel sterke verdediging: want wie deelt er nu de lakens uit? Nu werd het beeld versterkt van een marionet die danst naar de pijpen van zijn adviseurs achter de schermen. Om het imago te herstellen werd ook Bush sr. ingeschakeld. Die veroordeelde de «unfaire» kritiek op zijn zoon. Bush sr: «He does know what he is doing.»

Het had een merkwaardig geruststellend effect toen minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell (64) in beeld verscheen en zonder problemen de onuitspreekbare namen van de Arabische landen en hun presidenten uit zijn mond liet rollen. Hij kent ze en vaak onderhoudt hij contacten met de leiders, die hij niet aarzelt zelf te bellen. Hij sprak bedachtzaam van een «long term conflict» waarin diplomatie een grote rol zou spelen. Powell zoekt veel meer dan Bush lief is de samenwer king met het buitenland. Zo was hij minder streng dan Bush wilde tegen Irak, Noord-Korea en China — drie maanden na het neerstorten van een spionagevliegtuig in China belde hij president Jiang Zemin en vertelde hem dat hij China «respec - teer de» —, drong hij erop aan om militair aanwezig te blijven op de Balkan en had hij inzake Kioto wél de samenwerking willen zoeken.

Integer, charismatisch en moreel hoogstaand. Het zijn de woorden die steeds weer vallen wanneer Powell wordt beschreven. Inhoudelijk past hij niet helemaal in het team van Bush. En wel op een essentieel punt: volgens Powell kan Amerika de wereld vooral leiden «niet door onze kracht en machtspositie te gebruiken om ons achter onze muren te verschuilen, maar door geëngageerd met de wereld te zijn.»

Het ziet er naar uit dat de lijn Powell het heeft gewonnen van Bush’ schijnbare zucht naar instant wraak. Via Pakistan werd een diplomatiek offensief ingezet om de Taliban zover te krijgen Bin Laden uit te leveren, met als stok achter de deur grootscheepse militaire actie.

Al lijkt Powell het op het buitenlandterrein gewonnen te hebben van de haviken, duidelijk is wel dat de aanslag gevolgen zal hebben voor de doorsnee Amerikaanse burger. De Republikeinse senator Trent Lott deed er woensdag niet moeilijk over: «Als je in oorlog bent, gelden andere normen voor burgerrechten. Wat gisteren is gebeurd, kunnen we niet nog eens laten gebeuren.» Lott kreeg gezelschap van de Democratische leider Dick Gephart: «We bevinden ons in een nieuwe wereld waarin we vrijheid en veiligheid opnieuw moeten afwegen. We zullen niet alle openheid en vrijheid hebben die we hadden.»

Op donderdag nam de Senaat een voorstel aan dat de FBI meer ruimte geeft internetverbindigen af te tappen en op maandag werd de wet op het afluisteren van telefoons verruimd. Senator Jon Kyl, Republikein en lid van de inlichtingencommissie: «We zitten in een race naar de finish met vertegenwoordigers van terreur. Zullen we onze veiligheid en defensie verbeteren voordat zij weer kunnen toeslaan?»

Barry Steinhardt van de American Civil Liberties Union is tegen: «Dit voorstel bepleit belangrijke en gevaarlijke veranderingen ten aanzien van de wetgeving op het gebied van afluisteren, en had nooit zo even midden in de nacht aangenomen mogen worden zonder debat of onderzoek.»

Volgens een peiling van de New York Times vindt 74 procent van de Amerikanen het geen probleem als enige vrijheden moeten worden ingeleverd, 39 procent vindt het aanvaardbaar als de overheid telefoon en e-mail van gewone burgers aftapt.

Ook een andere fundamentele democratische grootheid — de tolerantie — kreeg een fikse knauw. De naam Osama bin Laden was gevallen, en meteen werden Amerikaanse Arabieren op allerlei plaatsen in het land lastiggevallen. Vrouwen met hoofddoekjes verstopten zich in hun appartement. Mannen en vrouwen werden op straat uitgescholden. Bedrijven met «Arab» vonden getier op het antwoordapparaat. Bij een moslimcentrum in Texas werden ruiten kapot geschoten. Raslan Salem, die een kruidenierszaak heeft in Milwaukee, begrijpt de agressie niet. «We zitten hier al bijna tien jaar, sommigen dertig jaar. We horen bij de gemeenschap. Een aanslag die Amerika zeer doet, doet ons zeer.»

Al een paar uur na de ramp riep burgemeester Rudy Giuliani van New York op tot eensgezindheid; het was verkeerd wie dan ook te veroordelen op grond van afkomst, geloof of huidskleur. Tijdens een op tv uitgezonden telefoongesprek kreeg hij bijval van de president, die de burgers verzocht Arabische Amerikanen en moslims «te behandelen met het respect dat ze verdienen». In een poging de agressie te bezweren, zonden de omroepen talloze bijeenkomsten uit met vertegenwoordigers van alle grote religies.

Ongeveer drie miljoen Amerikanen hebben zich bij de volkstelling omschreven als van Arabische origine, afkomstig uit vrijwel alle landen in het Midden-Oosten en noordelijk Afrika, en nu vooral woonachtig in Florida, Californië en New York. De immigratie begon eind negentiende eeuw en gaat nog steeds door. Prominente nakomelingen zijn Jacques Nasser, de baas van Ford; Helen Thomas, de koningin-moeder van de Witte Huis-journalistiek; Bobby Rahal, winnaar van de Indy 500-race; Christa McAuliffe, een astronaut die om het leven kwam toen de Challenger explodeerde; Donna Shalala, minister van Gezondheid onder Clinton; Ralph Nader, presidentskandidaat.

De gemiddelde «Arab-American» is beter opgeleid dan de doorsnee Amerikaan en verdient ook meer. Sommigen zijn islamiet, anderen christen, en weer anderen niks.

Volgens de historicus Richard Hofstadter vertoont de Amerikaanse politiek trekken van paranoia, van een wereldbeeld vol samenzwerings theorieën en cover ups. Velen zouden geloven dat buitenstaanders de vrijheden van de samenleving bedreigen, vertaald in termen van goed en kwaad afhankelijk van de geopolitieke agenda van de tijd. De communist als antichrist, de (fundamentalistische) moslim als antichristelijk. Of van binnenuit, de zwarten, de hispanics, de drugsgebruikers, de communisten, de zionisten. Volgens Hofstadter zit de paranoïde houding vanaf het begin van de eerste kolonisten — veelal de ongelukkige en armoedige bewoners van het Europese continent — ingebakken in de Amerikaanse samenleving. De vroege blanke Amerikanen waren altijd bang gedwarsboomd te worden in hun experiment van individuele vrijheid. Subversieve plannen, gemaakt door slechte en verdorven mensen uit vreemde landen, konden makkelijk binnendringen met de immigranten die maar bleven komen vanuit een Europa vol met revolutionaire opstandelingen.

De daders van de aanslagen op het WTC en het Pentagon beantwoorden naadloos aan dat beeld: ze werden aangestuurd van buitenaf maar opereerden van binnenuit. Het samenzweringsdenken floreert in de uiterst veelzijdige Amerikaanse samenleving waarin de concurrentie enorm is, waar etnische groepen elkaar niet vertrouwen en waar politieke propaganda, commerciële advertenties en de entertainmentindustrie iedere dag weer bedrog scheppen. Of zoals antropoloog Jules Henry zegt «een pakket tegenstrijdige leugens afleveren».

Menig Amerikaan weet van Arabieren dat ze in het Midden-Oosten zitten, iets tegen bondgenoot Israël hebben, en Amerikanen haten. Er was de vernederende gijzeling van diplomaten in Iran, de aanslag in Beiroet waarbij 241 mariniers werden gedood, en de aanslagen op Amerikaanse ambassades in Afrika. Ze weten dat Libiërs een PanAm-toestel opbliezen boven Lockerbie. Dat Saddam Hoessein een enge dictator is. Ze hebben de stellige indruk dat de Arabier een fanatieke, intolerante moslim is. Ze zagen beelden van juichende Arabieren na de aanslag op het WTC. En dus, denken ze, kan de Amerikaanse Arabier ook niet deugen.

Tot een van de betere acties van George W. Bush sinds 11 september behoorde zijn optreden afgelopen maandag in het Islamic Center van Washington. Voor een keer niet struikelend over zijn woorden riep de president zijn landgenoten op zich niet te laten meeslepen door islamofobe wraakgevoelens tegen de Arabisch-Amerikaanse gemeenschap. De presidentiële oproep was afgedwongen door de omstandigheden: zoals na Pearl Harbor de Japanse gemeenschap in de VS moest boeten, zo ging de getergde Amerikaanse bevolking na de aanslagen op het WTC en het Pentagon over tot wraakacties tegen moskeeën en werd iedereen met een hoofddoekje als een handlanger van Bin Laden gezien. «We zijn niet in oorlog met de meer dan een miljard moslims die deze wereld telt», zo hield Bush de Amerikanen voor.

Bin Laden en Irak

Een oorlog tegen terroristen is grotendeels een schimmengevecht, zoals eerdere ervaringen — bijvoorbeeld in de strijd tegen de RAF in het Duitsland van de jaren zeventig — al leerden. Zo'n oorlog richt zich al snel tegen de eigen burgerij, zoals nu ook in Amerika en in Europa dreigt te gebeuren. Veel senatoren willen de CIA in haar strijd tegen terroristen haar «license to kill» teruggeven, een privilege dat de dienst tijdens het presidentschap van Jimmy Carter was ontnomen. Bovendien willen ze de restricties opheffen die het niet toestaan mensen met een gewelddadig verleden in dienst te nemen. Een debat daarover op CNN riep wrange herinneringen op aan een gebeurtenis die in 1973 plaatsvond, eveneens op 11 september: de coup tegen de Chileense president Salvador Allende. Nog niet zo lang geleden werd aangetoond dat de CIA daarbij een doorslaggevende rol speelde.

Maar het oplappen van de CIA, die zwaar onder vuur ligt wegens het over het hoofd zien van de recente zelfmoordacties, en hoegenaamd geen agenten in dienst heeft die in staat zijn om het milieu van moslimterroristen te infiltreren, zal nog geruime tijd in beslag nemen.

Intussen smeedt Powell zijn internationale coalitie tegen het terrorisme. Daartoe behoren ook landen als Pakistan en Saoedi-Arabië, die in het verleden aanzienlijke steun verleenden aan de hoofdverdachte, Osama bin Laden. Archiefbeelden van de ietwat verwijfde Arabier-met-de-mooie-ogen vullen televisieschermen over de hele wereld.

Dat de Amerikanen Bin Laden aanwijzen als hoofdschuldige is niet zo verwonderlijk. De VS hebben een lange relatie met de Saoediër en weten precies hoe dodelijk efficiënt hij kan zijn. De connectie begint in 1986, als CIA-directeur William Casey een plan schrijft om de Russen Afghanistan uit te dwingen. Een van zijn speerpunten is het financieren, bewapenen en trainen van de Moedjahidien, bijzonder fanatieke moslimstrijders die in Afghanistan tegen de Russen strijden.

Maar de Moedjahidien hebben grote verliezen geleden. Dus neemt Casey een voorstel over van de Pakistaanse inlichtingendienst ISI om in de hele wereld radicale moslims te rekruteren voor de strijd in Afghanistan. In het Midden-Oosten bestaat grote steun voor het plan. Pakistan ziet zijn aanzien bij de Amerikanen groeien omdat het trainingskampen ter beschikking stelt. Saoedi-Arabië ziet in het plan een prachtige mogelijkheid om het wahabbisme (de strikte moslimleer van het land) te exporteren. Het land begint met het rekruteren van fanatieke moslims onder de eigen bevolking.

Hoofd van het Saoedische Afghanistan-contingent wordt Osama bin Laden, een veelbelovende rekruut. De student islamitische theologie is de zeventiende van 57 kinderen van de steenrijke bouwtycoon Mohammed bin Laden, een vriend van de toenmalige koning Faisal. Door de zoon van zijn beste vriend de leiding te geven, geeft Faisal zijn zegen aan de jihad die in het verre Afghanistan wordt gevochten. Dat is het teken voor moslims uit de hele wereld om zich aan te sluiten bij de strijd. De CIA is tevreden, het internationale karakter van het legertje wordt in de pers gebruikt als bewijs dat er in de hele moslimwereld een brede oppositie tegen de Russische bezetters bestaat.

Caseys plan slaagt. De Moedjahidien schoppen met hun geloofsgenoten inderdaad de Russen uit Afghanistan en stichten een moslimstaat. Maar Bin Laden raakt teleurgesteld in Afghanistan, waar na de overwinning meer gematigde elementen de overhand krijgen. Hij keert terug naar Saoedi-Arabië om in het bedrijf van zijn vader te werken. Het CIA-moslimleger valt uit elkaar, maar houdt wel onderling contact, klaar om de strijd weer op te nemen. Als de Golfoorlog uitbreekt, stelt Bin Laden de nieuwe Saoedi-Arabische koning voor om zijn troepen opnieuw bij elkaar te brengen om Koeweit te bevrijden, maar tot zijn woede laat die liever Amerikaanse troepen de klus klaren.

Gedesillusioneerd reist de miljardairszoon met een deel van zijn volgelingen naar Soedan, waar een islamitische revolutie bezig is. De omwenteling slaagt mede dankzij de Afghanistan-veteranen, maar Soedan wordt door de VS gedwongen Bin Laden uit te wijzen. Samen met zijn getrouwen vertrekt deze naar Afghanistan, waar de «strenge» Taliban-groep alsnog de macht heeft gegrepen. Het zal daar en dan zijn dat Bin Laden besluit dat Amerika zijn grootste vijand is. Hij wil de hand bijten die hem ooit voedde. Vanuit de hele wereld haalt hij zijn oude strijdmakkers opnieuw naar Afghanistan, nu om te trainen voor de beslissende slag in zijn heilige oorlog.

De aanslag op het World Trade Center in New York in 1993 toont Bin Laden hoe kwetsbaar Amerika is. Twee bomaanslagen op Amerikaanse ambassades in Dar-Es-Salaam en Nairobi in 1996 leveren verdere genoegdoening. Maar Bin Laden wil meer. Hij traint in Afghanistan een bonte coalitie (Moros-moslims uit de Filippijnen, Algerijnen, de Harkat-ul-Jihad beweging uit Bangladesh, Uyghuren uit China, Pakistani, Omani’s, Palestijnen, Saoediërs, Jemenieten en zelfs Afro-Amerikanen) die de jihad over de hele wereld moeten exporteren. Zijn naam wordt door de CIA in verband gebracht met verijdelde aanslagen in Albanië, Azerbeidzjan, Tadzjikistan, Oeganda en Ivoorkust.

De Amerikanen zien in wat voor monster ze hebben gecreëerd en besluiten het hoofd af te hakken. Zonder Bin Laden valt de internationale moslimcoalitie snel uit elkaar, is de gedachte. Maar de Arabier is weerbarstig. Een commandoraid moet op het allerlaatste moment worden afgeblazen. Een aanval op trainingskampen met niet minder dan zeventig (!) kruisraketten verwoest een hoop, maar niet Bin Laden. Ondanks een beloning van vijf miljoen dollar is de Saoedische terrorist onvindbaar. En eigenlijk heeft hij zijn werk al gedaan, want door alle Amerikaanse aandacht is hij dé inspirator van de jihad tegen het Westen geworden.

Zowel Bin Laden als zijn beschermheren, de Taliban, ontkennen dat hij betrokken is bij de recente aanslagen in de VS. Hij zou daarvoor de middelen niet hebben. «Dit moet het werk zijn van een regering», lieten de Taliban weten. De Amerikanen halen over die ontkenning hun schouders op. Althans, publiekelijk. De kans is aanwezig dat ook zij, achter de schermen, rekening houden met de betrokkenheid van Irak. De CIA en de FBI werden afgelopen maand gewaarschuwd door de Mossad dat grootscheepse terroristische acties op «highly visible targets» waren gepland. Een twee man sterke delegatie van de Mossad reisde in augustus naar de VS om te waarschuwen dat een organisatie van tweehonderd terroristen een actie in voorbereiding had. In The Sunday Telegraph zegt een Israëlische beveiligingsofficial: «Ze hadden geen specifieke informatie over wat er werd gepland, maar ze linkten de plannen naar Osama bin Laden en vertelden de Amerikanen dat er sterke gronden waren om Iraakse betrokkenheid te vermoeden.»

In Trouw schetste de Israëlische Irak-expert Amatsia Baram een huiveringwekkend scenario dat werkelijkheid zou kunnen worden als de VS zich met al hun macht op Saddam Hoessein zouden storten. «Als de VS zouden aankondigen dat ze gaan aanvallen met het doel het regime in Bagdad omver te werpen, is het vervolg daarop zoiets als een chemische en biologische holocaust in Israël. Saddam zal onmiddellijk het bevel geven dat de raketten die hij verstopt heeft, geladen worden met non-conventionele koppen en naar Tel Aviv worden gestuurd. Als hij zeker weet dat hij eraan gaat, neemt hij de Israëliërs net zo lief mee het graf in. Hij weet, of gelooft, dat Israël onmiddellijk zal reageren met de nucleaire vernietiging van Bagdad. Maar hij denkt: als ik Bagdad niet mag hebben, mag niemand het hebben.» Het zou het begin kunnen zijn van een nucleair conflict, waarbij ook India, Pakistan en de Russen betrokken zouden kunnen raken.

Nederland in oorlog

In een spoedzitting van de Atlantische Raad besloten de leiders van de Navo dat artikel 5 van het Atlantisch Handvest — het verdrag dat ten grondslag ligt aan het militaire bondgenootschap — in werking zou treden. Voor het eerst in de geschiedenis van de Navo werd aldus verklaard dat de aanval op de Verenigde Staten een aanval was op alle overige lidstaten van het bondgenootschap. «Een briljante zet», meende brigade-generaal b.d. Frank Kappen in de breed opgezette «deskundigendiscussie» die afgelopen zondag op de publieke omroep werd uitgezonden. «Zo dwing je de Verenigde Staten tot overleg en kun je ze desnoods bijsturen als bondgenoten.»

Maar net als ten tijde van de bombardementen op Joegoslavië werd al snel afbreuk gedaan aan het idee dat de Navo een hecht blok zou vormen. Het in werking stellen van artikel 5, zo viel in menig Navo-hoofdstad te horen, betekende nog niet dat de lidstaten van het bondgenootschap zonder meer hun militaire capaciteit ter beschikking zouden stellen bij een te verwachten Amerikaanse «tegenaanval». Eerst zou duidelijk moeten worden tegen wie of wat die gericht zou zijn. In bedekte termen maakten onder meer Berlijn en Parijs duidelijk dat op hun krijgsmachten waarschijnlijk niet hoefde te worden gerekend als het zou gaan om het bombarderen van Afghanistan. De Nederlandse defensieminister Frank de Grave benadrukte dat artikel 5 niet betekent dat Nederland «een blanco cheque» had ondertekent als het ging om militaire bijstand aan de Amerikanen. De Italiaanse premier Berlusconi maakte zelfs duidelijk dat zijn land in het geheel niet betrokken wilde raken bij Amerikaanse wraakacties. De New War was, zo leek het al meteen een week na de aanslagen, toch vooral een Amerikaanse zaak die weliswaar op sympathie, maar niet noodzakelijkerwijs op militaire bijstand kon rekenen van Europese Navo-bondgenoten.

Dat de terreurdreiging echter wel degelijk ook Europa betreft, werd diezelfde week pijnlijk duidelijk. De aanslagen die in de jaren negentig Frankrijk teisterden, en voornamelijk op het conto werden geschreven van Algerijnse moslimfundamentalisten, waren al weer bijna vergeten. Maar ze werden in herinnering geroepen met een onthulling in de Britse The Sunday Telegraph, die opnieuw Algerijnse terreurcommando’s betrof. Eerder dit jaar werden zes van hen gearresteerd terwijl ze een aanslag met het zenuwgas sarin voorbereidden op het Europees Parlement. Dat veroorzaakte een flinke schok: het Europarlement kan, in tegenstelling tot het Amerikaanse Congres, niet besluiten over militaire actie; de Europese Unie beschikt nog maar net over een snelle interventiemacht die slechts mag worden ingezet bij crisisoperaties. Hoe kon het hart van de Europese Unie tot doelwit zijn gemaakt als haar geen enkele moordende militaire actie kan worden toegeschreven? Gek genoeg werden de zes in Engeland vrijgesproken, volgens The Sunday Telegraph was dat «om veiligheidsredenen». De geheime dienst wilde de zes volgen en zo hun netwerk blootleggen.

Afgelopen week werd bovendien bekend, bij monde van oud-minister van Binnenlandse Zaken Peper (en als zodanig oud-leider van de Binnenlandse Veiligheidsdienst) dat tijdens zijn ambts termijn tenminste twee aanslagen op ambassades in Nederland werden voorkomen. En vanuit Spanje werd vele malen schokkender nieuws gemeld, dat tot nog toe niet was vrijgegeven: in 1991, bij aanvang van de grote vredesconferentie in Madrid die gewijd was aan de strijd in het Midden-Oosten, werd ternauwernood een ramp voorkomen die veel weg had van de aanslagen in Washington en New York. Islamitische terroristen waren van plan geweest twee passagiersvliegtuigen te kapen en die te pletter te laten vliegen op het hotel waarin de toenmalige Russische president Michail Gorbatsjov verbleef, en op het Koninklijk Paleis.

Was het het inzicht dat de terreurdreiging inderdaad «freedom itself» betrof, zoals president Bush dat al op de dag van de aanslagen zelf verkondigde, en verder reikte dan een Amerikaans belang? Of was het de ongekende Amerikaanse druk die ook op de Navo-bondgenoten werd uitgeoefend? Naar verluidt kregen ambassadeurs lijsten onder hun neus geduwd met daarop puntsgewijs weergegeven de gebieden waarop de VS totale volgzaamheid verwachtten. Op CNN werd een reportage uitgezonden waar met een naar minachting doorbuigende verbazing gewag werd gemaakt van de stroeve opstelling van de Fransen en de Italianen.

Hoe het ook zij, bij zijn toelichting op de Troonrede liet premier Kok er afgelopen maandag geen twijfel over bestaan: sinds de gebeurtenissen van 11 september is ook Nederland in staat van oorlog.

De premier, zichtbaar van zijn stuk gebracht, liet zich van zijn allergrimmigste kant zien en sprak zulke krijgshaftige taal dat de van tevoren gemaakte afspraak dat er niet letterlijk uit de persconferentie zou worden geciteerd, collectief werd geschonden. De premier had dan ook een spectaculaire ommezwaai gemaakt. In de media werd alom gespeculeerd dat hij na zijn eerste bedachtzame reactie vanuit het Witte Huis op zijn donder had gekregen. Iets wat hij uiteraard ontkende. «De wereld is nu anders», sprak hij getergd. «De terroristische aanvallen op de VS waren niet alleen een aanval op de VS, maar op ons allemaal. Het internationaal terrorisme heeft ons de oorlog verklaard en dat gaat ons allemaal ter harte.» Ook in Nederland moet «een grote reeks van maatregelen in gang worden gezet», aldus Kok. «Iedereen zal dat merken en iedereen zal zijn bijdrage moeten leveren».

Bram Peper hield reeds een pleidooi voor de invoering van een nieuw ministerie voor Veiligheid — in de wandelgangen al het «BVD-ministerie» genoemd. Sinds de nieuwe oorlog van de VS en bondgenoten lijkt er een taboe te gelden op iedere vorm van relativering of nuancering. Zulks ondervond ook Amerika-commentator Maarten van Rossum, die vorige week in Nova bijna de studio werd uitgestuurd door het getergde presentatieduo. «Hou nou eens een keertje op met dat gerelativeer», kreeg de vleesgeworden vertolker van de academische scepsis toegebeten. Van Rossum had het gewaagd vraagtekens te zetten bij het om zich heen slaande oorlogssentiment.

Ook in Nederland begint de anti-islamitische stemming een zorgwekkende factor te worden, met als voorlopig dieptepunt een aanslag op een islamitische school in Nijmegen. Als er nu Tweede Kamer-verkiezingen zouden komen, had debutant Pim Fortuyn met zijn campagne tegen de «islamisering van Nederland» zeer hoge ogen gegooid. Onversneden moslimhaat van het model Houellebecq is de afgelopen dagen uitgegroeid tot een bijna collectief sentiment; een postmoderne bewerking van het middeleeuwse kruistochtengevoel.

De vreugdedansen van enkele Marokkaanse jongeren in Ede direct na de helse taferelen in Amerika deden de interreligieuze verhoudingen geen goed. De onbegrijpelijke blunder van de Nederlandse Moslim Omroep, die het bestond de uitzending van afgelopen week te tooien met een citaat uit de koran over ongelovigen en hun plaats in het vagevuur, bleek al helemaal te werken als een rode lap op een stier. Veel moslims in Nederland durven de straat niet meer op, en het aantal bedreigingen en hate-mail aan het adres van islamitische organisaties en individuele burgers schijnt draconisch opgelopen te zijn.

De multiculturele samenleving dreigt definitief in duigen te vallen. Als het de bedoeling van de kamikazes van de jihad was een wig te drijven tussen de internationale moslimgemeenschap en de rest van de wereld, is men daar in elk geval in geslaagd.

Of Nederlandse troepen deel zullen uitmaken van de eerste aanvalsgolven der onheilige oorlog staat nog niet vast. Vlak voor het ter perse gaan van deze krant werd echter een verhoogde activiteit gemeld op de vliegbasis Soesterberg, die waarschijnlijk dienst doet als tankstop voor gevechtsvliegtuigen op weg naar Afghanistan.