Onherbergzame levens

Fleur Jaeggy, De angst voor de hemel. Vertaald door Tine Riegen en Anna Maria Domburg, uitgeverij Meulenhoff, 111 blz., f29,90
Er zijn deze eeuw nogal wat romans geschreven die zich in een meisjesinternaat afspelen. In de jaren twintig en dertig was er in Nederland bijvoorbeeld een hausse aan kostschoolromans van inmiddels vergeten grootheden als Emmy van Lokhorst en Jo van Ammers-Kuller. Het waren romans waarin volop gelijkgeslachtelijk werd gesmacht.

De mooiste en meest verontrustende kostschoolroman die ik ken is De gelukzalige jaren van tucht die de Zwitsers-Italiaanse schrijfster Fleur Jaeggy in 1989 publiceerde. De weee geur van dweepzucht is er ver in te zoeken. Jawel, je zou kunnen zeggen dat het verhaal over een ‘amitie amoureuse’ gaat tussen de ik-vertelster en modelleerlinge Frederique. Maar de relatie tussen hen is ongrijpbaar en niet zozeer erotisch. Ze praten niet over hartsgeheimen maar over kunst, ze zijn 'een stel’, maar delen niets persoonlijks. De ik- vertelster begrijpt de obsessieve ordelijkheid van Frederique niet. Achter haar netheid vermoedt ze een geheim: 'Ik was ervan overtuigd dat dat een tactiek was om onopgemerkt te blijven, om te vermijden dat ze met anderen om moest gaan, of gewoon om afstand te houden.’
Het geheim zal ze niet doorgronden. Ook niet als ze Frederique jaren later toevallig weer ontmoet. Frederique woont dan in een donkere kamer waarin ze vuur stookt op de vloer. 'Die kamer is het ontwerp van iets’, denkt de vertelster. 'Je weet niet waarvan. Wederom was ze verder gegaan dan ik.’
Zo onbegrijpelijk als Frederique voor de vertelster blijft, zo raadselachtig is De gelukzalige jaren van tucht. En zo ondoorgrondelijk zijn ook de verhalen die in Jaeggy’s tweede in het Nederlands vertaalde boek, De angst voor de hemel, staan. De verha len zijn niet geheimzinnig door de stijl en ook niet door de structuur, die over het algemeen vrij eenvoudig is. Het zijn de gevoelens en beweegredenen van de personages die onbegrijpelijk maar intrigrerend zijn.
De levens die Fleur Jaeggy in haar verhalen presenteert, zijn onherbergzaam en zinloos. Steeds weer schrijft ze sombere zinnetjes waaruit blijkt dat het leven van begin af aan in het teken staat van de dood, dat het leven van mensen zich nauwelijks onderscheidt van dat van dieren of planten: 'Behalve rotten kunnen bloemen niets doen, daarin verschillen ze niet van menselijke wezens. De bloemen wedijveren met de doden in een verlangen snel te vergaan en te worden tot stof.’
De relaties tussen Jaeggy’s personages zijn op z'n minst verstoord. Men kent elkaar niet, men bedriegt elkaar, men is ongelukkig. In 'Zonder toekomst’ heeft een moeder een hekel aan haar baby, ze belooft haar aan een welgesteld kinderloos echtpaar maar trekt haar belofte in omdat ze haar kind niet gunt wat ze zelf nooit kreeg. In 'Het kosteloze onderdak’ leeft de vrouw van een weldoener tussen de gestoorden over wie hij zich heeft ontfermd tot ze zelf gek wordt. In 'De belofte’ schrijft Jaeggy over twee juffrouwen die een verhouding hebben. De een besteelt de ander, maar wordt uiteindelijk wel bijgezet in het familiegraf.
De angst voor de hemel is nog veel zwarter dan Jaeggy’s kostschoolroman. Wat mij betreft wat al te inktzwart, vooral omdat de fascinatie en de liefde die zo duidelijk aanwezig zijn in De gelukzalige jaren van tucht achterwege blijven. De levens zijn raadselachtig en de alwetende verteller en de lezer komen er geen moment dichterbij.