ARCHITECTUUR

Onherstelbaar verbeterd

J.W.C. Boks

De Stichting Bonas publiceert Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse Architecten en Stedenbouwkundigen, en dat klinkt saaier dan het is: dankzij de Stichting ontstaat er een gedegen bibliotheek van overzichten van het werk van Nederlandse architecten. Zo'n bibliotheek is nodig, en handig, omdat de documentatie van de Nederlandse architectuurgeschiedenis nog flinke lacunes kent, en ook omdat de veranderende tijdgeest en onze energieke verbeteringszin soms hele oeuvres van de aardbodem verwijdert, voordat er eens goed over is geschreven. Dat geldt met name voor werk uit de naoorlogse periode van de mindere goden, zoals de Rotterdammer Joost Boks (1904-1986).
Hans Willem Bakx construeerde uit Boks’ archief een ‘werkbiografie’; een volledige biografie zou onmogelijk zijn, schrijft Bakx, omdat Boks vrijwel geen persoonlijke geschriften naliet en zeer op zijn privacy gesteld was. Daardoor blijft er veel te raden. Boks werd opgeleid in Delft ten tijde van het professoraat van de dominante katholiek Granpré Molière, maar diens invloed was beperkt; evenmin was Boks een grote Corbusier-aanhanger of een man van het Nieuwe Bouwen. Wat was hij dan wel? Bakx vond maar een of twee stukken waarin Boks iets van zijn denkbeelden ontvouwde. Ze zijn beperkt. Boks had weinig op met nostalgie of natuur: ’(…) ons land (…) is een grote tuin, een speeltuin, waar schommel en wip precies op hun plaats staan.’ Tegelijkertijd bekritiseerde hij de Nieuwe Zakelijkheid als 'soms uiterst onpraktisch’. Bakx (die voor zo'n sobere publicatie een opmerkelijk fijngevoelige pen hanteert) vindt in Boks’ stukken vooral een Bordewijk-achtige attitude: 'Onze stad is nieuw ontworpen, in brede trekken. Er is orde gebracht, noodzakelijke basis voor opbouw.’ Boks pleitte tegen 'karakterloosheid’ en voor 'het blok’. Maar dan was hij ook weer een bewonderaar van Piranesi.
Een opmerkelijk gebouw van Boks’ hand, dat nog te zien is, is het tentoonstellingsgebouw van het Bouwcentrum aan het Kruisplein in Rotterdam, dat hij in 1946 ontwierp. Het is een zestienhoekige betonnen constructie naast het grote Groothandelsgebouw van Maaskant en Van Tijen, met grote glazen wanden, bekroond door een glazen 'trommel’. Zeer licht, symmetrisch en eenvoudig, dienstbaar, zonder al te zakelijk te zijn: een compromis tussen Delftse School en het Nieuwe Bouwen. De meeste van zijn kantoor- en bedrijfsgebouwen zijn zo, en ze zijn in doorsnee sober en streng.
Toch moet ook Boks zijn dromen hebben gehad. Er is bij veel Wederopbouw-architecten een verlangen te herkennen, bijna clandestien, naar meer bravoure, meer jeu, meer avontuur - getuige bijvoorbeeld de Euromast of het James Bond-achtige complex dat H.A. Maaskant bouwde voor Johnson Wax in Mijdrecht, in 1966. In 1950 reisde Boks naar Amerika en hij zou zijn ambities in praktijk brengen in het Deltahotel in Vlaardingen (1951-1955), een vrijstaande toren met een laag breed restaurant boven de Nieuwe Maas. Bakx noemt het een 'totaalkunstwerk’ van 'on-Vlaardingse allure’, wat ik een prachtige karakteristiek vind voor een gebouw dat vooral de onhandige lelijkheid van de jaren vijftig belichaamt. De hang naar grandeur is onmiskenbaar, maar hier teruggebracht tot het formaat van een Bruynzeel-keuken: vooral functioneel, behapbaar, afwasbaar, introvert.
Inmiddels is het hotel uitgebreid en 'onherstelbaar verbeterd’, nauwelijks nog te herkennen. Slechter verging het het strenge Britannia Hotel in Vlissingen, het Holy-ziekenhuis in Vlaardingen en veel andere werken, allemaal gesloopt. Daarover hoef je niet per se te treuren; er even bij stilstaan is echter niet zonder beloning.

Hans Willem Bakx, J.W.C. Boks Architect (1904-1986). Bonas, 208 blz., € 29,50, www.bonas.nl