Onkreukbaar

Lang wilden we in Europa niet geloven hoe erg het was in ‘Nederland Overzee’. Met Kolonialisme en racisme waarschuwt Jan Breman ons voor de ingesleten racistische denkpatronen die deze ontkenning tot gevolg heeft.

Plantage-­eigenaar en contract­arbeiders op de Surinaamse ­plantage ­Accaribo. Datering: 1916-1930 © Rijksmuseum Amsterdam

Hij was een van de zeldzame klokkenluiders van het koloniale drama in de academische wereld. Toen het nog gewoon was om in neutraliserende termen als ‘Nederland Overzee’ te schrijven over ons koloniale bezit, sprak hij al onomwonden van uitbuiting en mishandeling. Er werd, wilde hij maar zeggen, niet alleen iets ‘groots verricht’ in de zogeheten rijksgebiedsdelen over het water. Al in 1987 schreef hij een gedetailleerde studie over de moordende plantage-economie in het voormalige ‘Ons Indië’. Het werd onder academische historici koeltjes ontvangen. Socioloog Jan Breman moest voor hij conclusies trok eerst maar eens leren te voelen ‘wie es eigentlich gewesen ist’, schreef de Leidse historicus Piet Emmer met een sleets beroep op de vader van de moderne geschiedwetenschap Leopold von Ranke.

Het was een reflex in de geschiedbeoefening. Je had vakbroeders die de dingen in hun tijd zagen, die zaten vooral in Leiden. En je had buitenstaanders, die dikwijls anachronistisch eigentijdse vragen zouden stellen aan het veelzijdige verleden, oftewel – erger nog – met morele blik keken. Die waren er godzijdank mondjesmaat, en waren vooral te vinden op wat ze noemden de Amsterdamse School, een verzameling van linkse menswetenschappers aan de hoofdstedelijke universiteit. Een van hen, Jan Breman, had op West-Sumatra misstanden aangetroffen bij de behandeling van ‘contract-koelies’ en had dat incident opgeblazen tot een structurele misstand.

Dertig jaar later zijn de bakens verzet. Het kijken door een morele bril is tegenwoordig bijna een voorwaarde voor de geschiedschrijving van het koloniale verleden dat bol stond van morele aannames. En nu komt Breman, inmiddels emeritus op leeftijd, met een boek dat voelt als het testament van een betrokken hoogleraar. Het is alsof hij collega’s en lezers wil waarschuwen voor de ingesleten houding van de koloniaal in de westerse mens, wetenschapper, of burger.

We hebben in Europa nu eenmaal heel lang niet willen geloven hoe erg het was. Niet toen eenlingen berichtten over de misdaden in onze eigen kolonies (waar martelpraktijken en ondervoeding van de contractarbeiders op de plantages heel gewoon waren) en niet toen duidelijk werd wat voor een moordregime er in het rubberroof-Congo van Leopold II bestond (met het afhakken van handen bij slechte prestaties als meest bekende gruwelijke voorbeeld). Wie er wel over berichtte werd uitgemaakt voor nestbevuiler en uitgestoten, zo blijkt uit een paar pijnlijke reconstructies van het alarmerende werk van vroegtwintigste-eeuwse klokkenluiders (ze werden door de wetenschappelijke kaste verfoeid, wat Breman ertoe brengt te verzuchten dat de koloniale geschiedschrijving misschien wel niet alleen aan de historici mag worden overgelaten).

Het koloniale drama is niet voorbij, het heeft andere vormen aangenomen

De mythe van de beschavingsmissie, the white man’s burden, mocht niet stuk. En zou ons in Nederland parten blijven spelen tot na de oorlog, toen we ons nog altijd niet konden voorstellen dat de Javaan het zonder ons af kon. ‘Koloniale heerschappij was geen bezetting, maar verlossing uit achterlijkheid’ – zo en niet anders zag men het doorgaans, aldus de auteur.

De werkelijkheid bewees natuurlijk vooral het tegendeel. ‘Het koeliebeest moet aan banden’, de zwarte is ‘een halfaap’ en ‘de Javaan staat nooit wanneer hij kan zitten en zit nooit wanneer hij kan liggen’. De hoeveelheid citaten die het beeld van de gekleurde ondermens bevestigen is eindeloos. Kolonialisme en racisme is dan ook een twee-eenheid, schrijft Breman. Het gevolg: fundamentalistisch gegrond onderscheid tussen de volmaakte westerse uitvoering van sapiens en het halfproduct van kleur, en ook: geïnternaliseerde en geïnstitutionaliseerde geweldpleging, want omdat ‘ze’ te dom en onontwikkeld zouden zijn om te kunnen horen, moet je het ‘ze’ als witte baas, plantage-eigenaar, maar laten voelen. Ook de misdaden en executies tijdens de zogeheten politionele acties kunnen niet los gezien worden van onversneden racisme, schrijft Breman.

Op zoek naar de legitimatie van dit vanzelfsprekende denken in onderscheid komt de auteur – heel verrassend – bij niemand minder uit dan Alexis de Tocqueville. De weldenkende middennegentiende-eeuwse filosoof, die schreef dat gelijkheid de drijvende kracht was in de moderne geschiedenis, zag diezelfde gelijkheid niet zomaar weggelegd voor het proletariaat thuis en al helemaal niet voor het uitheemse volk overzee. Hij toonde zich onder meer voorstander van een apartheidssysteem in de Franse kolonie Algerije.

De pauper om de hoek was volgens Tocqueville een nauwelijks te civiliseren geval, maar van de wilde overzee viel nooit iets méér te maken dan een afgericht werkpaard. Hij zou het nooit tot mens oftewel burger brengen (volgens Breman is het burgerlijke de maat waarmee de elite de sociale werkelijkheid meet, zowel in de kolonies als in Europa). Met de arme klasse in het Westen is het – na ruim honderd jaar – min of meer goed gekomen als het gaat om inkomen en welzijn; voor de voormalige slaaf, contractarbeider en koelie ziet de werkelijkheid er, ook al is hij onderdaan van een zelfstandige natie, nog altijd bedroevend armoedig uit.

De ontwikkelingshulp, door Breman toch vooral gezien als voortgezette afhankelijkheid, heeft daar niets aan veranderd – het heeft daarentegen het idee versterkt dat de grote massa in landen met een gekleurde bevolking de eigenschappen mist om op eigen kracht haar emancipatie te bewerkstelligen. En ook al wordt met de mond gelijkheid beleden en racisme veroordeeld, de erfenis van ruim een eeuw kolonialisme blijkt rampzalig. Massale verpaupering door rauw (dikwijls westers) kapitalisme is wat de auteur in grote dele van het zuidelijk halfrond ziet. En al die ellende zou ook nog eens grotendeels de eigen schuld zijn van die samenlevingen, want het komt toch allemaal door corruptie, vriendjespolitiek en cliëntelisme, constateren wij vanuit het onkreukbare Westen. Het koloniale drama is, anders gezegd, niet voorbij – het heeft andere, ingewikkeldere vormen aangenomen.

En hoe zit het ondertussen met dat koloniale mensbeeld? Om die vraag te beantwoorden heeft Breman een kwalificatie geleend van een voormalig collega van de Amsterdamse School, Abram de Swaan. Geen fatsoenlijk mens wil nog koloniaal zijn, gelooft de auteur, maar het is met koloniaal voelen en denken in superioriteit en inferioriteit als met racisme: het is net fijnstof.