Ger Groot

Onleesbaarheid

Sinds Karel van het Reve de literatuur wetenschap het raadsel der onleesbaarheid heeft genoemd, wordt dat woord in die kringen alleen fluisterend uitgesproken. Professoren die meesterwerken verhakselen tot moeilijkdoenerij werden met janboeren fluitjes-retoriek in een hoek gezet waar ze jarenlang niet meer uit durfden te komen. Van het Reve had de lachers op zijn hand en dan heb je als ernstige onderzoeker de strijd bij voorbaat verloren.

Billijk was dat maar heel gedeeltelijk, en zeker niet jegens de neerlandicus Guus Söteman, de voornaamste kop van Van het Reves Jut. Söteman is zojuist gerehabiliteerd met de uitgave van de essaybundel Dichters die nog maar namen lijken (uitg. Meulenhoff), waarin twaalf van zijn opstellen over Bloem, Leopold, Minne en anderen werden bijeen gebracht. Dubbel postuum — Söteman en Van het Reve zijn inmiddels overleden — heeft de eerste de aanval van de laatste in ieder geval overleefd.

Vrijwel tegelijkertijd durft de één generatie jongere anglist Ortwin de Graef het woord «onleesbaar» opnieuw in de mond te nemen. Niet om daarmee zijn eigen proza te beschrijven, maar als een kenmerk van de literatuur zelf. Onleesbaar zijn romans volgens De Graef altijd op zijn minst een beetje, omdat ze zich verzetten tegen onze neiging ons met de personages daarin te vereenzelvigen. Literaire helden houden op storende wijze altijd iets onbegrijpelijks.

De Graefs opstel opent de bundel Verbeeldingen van de ander (uitg. Damon) en dat klinkt onmiskenbaar naar postmoderne ethiek. De onleesbaarheid die dat eerste heet aan te kleven is daarin redelijk in toom gehouden, maar ethisch gestemd is de bundel zeker. Ook voor De Graef is literaire onleesbaarheid een dure opdracht, want te grote sympathie met romanhelden slaat gemakkelijk om in annexatie. Van de weeromstuit wordt de held dezelfde als de lezer en blijft er van de «ander» weinig over.

De stelling van De Graef wordt in de bundel in het negatieve geïllustreerd door de bijdrage van Etty Mulder, die zich in grote verongelijktheid keert tegen de interpretatie van Antigone door — zoals zij schrijft — «de despoten, de heren». Ten aanzien van die «anderen» is kennelijk maar weinig ethische schroom geboden, en inderdaad is Mulders tekst even leesbaar als onuitstaanbaar.

Vreemd genoeg zou De Graef daarmee blij moeten zijn. Mulder tot aan het einde toe uitlezen betekent weerstand bieden aan de ergernis die haar stuk toch weer «onleesbaar» maakt. En daarmee wordt ze van een negatief een positief voorbeeld van wat de literatuur kennelijk wil: ons confronteren met een ander die we niet helemaal weten te slikken en verteren. Literair wordt een personage pas als een graatje in de keel.

Of Mulder zich daar van haar kant over moet verheugen is een andere vraag. Betekenisvol wordt haar klacht pas wanneer zij zelf een romanpersonage is geworden en ik vermoed dat zij dat niet in dankbaarheid aanvaardt. Een schrijver is altijd zelf liever feit dan fictie, ook al heeft onhebbelijkheid daarmee niet langer een excuus. Wat we van een romanfiguur verdragen, accepteren we van echte mensen nauwelijks.

Onleesbaarheid mag dan het literaire kleedje van onuitstaanbaarheid zijn, de ethiek die daarmee gepaard gaat is kennelijk heel verschillend. In een roman verdragen we onbegrijpelijke en daardoor vaak ook onaanvaardbare figuren — van de «killer» van Patricia de Melo tot de man uit het ondergrondse van Dostojevski — moeiteloos of zelfs gefascineerd, maar met onhebbelijke mensen loopt het meestal eerder vroeger dan later spaak.

Ongetwijfeld komt dat doordat wij zondige mensen zijn, zoals Johan Polak gezegd zou hebben. Tot zoveel lankmoedigheid als we in de literatuur opbrengen, zijn we — ondanks al onze goede voornemens — tussen opstaan en slapen zelden in staat. Van anderen verwachten we een minimum aan tegemoetkomendheid, want liefde kan niet van één kant komen.

Bij boeken moet ze van één kant komen, want een boek zelf heeft niet lief. Of bestaan er ook harteloze romans, die alleen maar omwille van hun eigen onleesbaarheid de lezer tergen? Misschien is er zelfs in de strengste lezersethiek een moment waarop we een boek halverwege mogen dichtslaan en prijsgeven aan de ramsj, de vuilnisman of de vergetelheid van onze boekenkast.