Online terreur is ook terreur

Je kunt het ene na het andere ontroerende verhaal over de mobiliserende kracht van sociale media vertellen. Denk bijvoorbeeld aan de protesten op het Tahrirplein in Caïro die grotendeels via Facebook en Twitter werden gecoördineerd. Maar helaas is het niet alleen heldhaftig maatschappelijk protest waar gebruikers van sociale media in uitblinken.

Nog vaker mengen ze zich in kwesties die niet in proportie zijn met het volle gewicht dat er tegenaan gegooid wordt. Bijvoorbeeld in het geval van Walter Palmer, de Amerikaanse tandarts die in Zimbabwe een leeuw doodschoot. De woede over Palmers weerzinwekkende daad is begrijpelijk, maar dat geldt minder voor de reacties – doodsbedreigingen incluis – die daarop volgden op sociale media.

Dat het zo gierend uit de hand kon lopen heeft niet eens per se met Palmers daad te maken. Het is eerder het gevolg van een specifieke dynamiek op sociale media die telkens in werking treedt als er sprake is van ‘ophef’. De aanleiding kan onbenullig zijn, vervolgens gaat de online meute daarmee aan de haal en probeert iedereen te excelleren in een wedstrijdje ‘wie-tikt-vandaag-de-meest-boze-tweet/Facebook-update?’ En het is ze om het even wie de schurk du jour is. Vorige week was het Walter Palmer, deze week kan het weer iemand anders zijn, zolang hij of zij maar iets gedaan of gezegd heeft dat als handig opstapje kan dienen naar een massaal vertoon van verontwaardiging.

Morele woede op sociale media is een doel op zichzelf geworden. Lees het boek So You’ve Been Publicly Shamed van de Britse journalist Jon Ronson er maar op na. Huiveringwekkende verhalen staan daarin van mensen die om wat voor reden dan ook hordes schuimbekkende twitteraars over zich heen kregen. De gevolgen van die hysterie – ontslag, depressie, zenuwinzinking – konden de online meute uiteindelijk niks schelen, die was al weer bezig om het volgende individu kapot te twitteren.

Iedereen die een venijnige tweet of een woedende Facebook-status tikt, denkt uit nobele motieven te handelen; niemand zal zijn aandeel erkennen in de totstandkoming van een algehele sfeer van hysterie waarin dreigementen als gepaste reacties worden gezien. Correctie van dit gedrag is niet zo makkelijk, maar misschien kan enige reflectie wat zoden aan de dijk zetten. Bijvoorbeeld door te wijzen op de angstcultuur die virtuele lynchmobs in de hand werken. In zijn boek beschrijft Jon Ronson hoe er sinds een aantal jaar een verlammende angst door sociale media loopt voor de permanent boze internethordes. Het resultaat is een verstikkende atmosfeer waarin conformisme wordt afgedwongen en iedereen op iedereen loert.

Een ander argument dat tegen virtuele lynchmobs kan worden ingezet is hun verraderlijke karakter. Deelnemen aan een virtuele heksenjacht is namelijk geen garantie dat je er zelf verschoond van blijft. Ook daarvan zijn schrijnende voorbeelden te geven. In 2013 bracht de journaliste Adria Richards een lynchmob op de been om twee mannen te kielhalen die tijdens een conferentie over computertechnologie een schunnig grapje hadden gemaakt. Met succes: een van de mannen verloor als gevolg van de ophef zijn baan. Maar in reactie op dit ontslag kreeg ook Richards een online meute over zich heen en werd ook zij door haar werkgever ontslagen. Kortom: met rechtvaardigheid heeft massale eigenrichting op sociale media dus weinig te maken. Het is een monster dat om het even wie verslindt.