Onmacht

Mooie televisie, daar draait het tegenwoordig om in de politiek. Geert Wilders begrijpt dat als geen ander.

Toen de toenmalige vvd-fractieleider Jozias van Aartsen in 2004 de Duitse dichter Goethe aanhaalde, waren zijn woorden profetischer dan menigeen kon bevroeden. ‘Meine Ruh’ ist hin, mein Herz ist schwer, daar begint Geert Wilders weer.’

Inmiddels zijn we tien jaar verder, domineerde pvv-leider Wilders de afgelopen week voor de zoveelste keer de binnenlandse politieke berichtgeving, voelt menig hart zwaar na het luid gescandeerde ‘minder, minder, minder’ door de aanhang van Wilders op de door hem gestelde vraag of ze meer of minder Marokkanen willen, en is er van rust in politiek en samenleving sowieso geen sprake meer geweest. Al heeft dat laatste niet alleen met Wilders te maken. De pvv-leider heeft daar echter wel als geen ander gebruik van weten te maken.

Van Aartsen greep naar Goethe’s dichtregels toen zijn toenmalige fractiegenoot Wilders samen met een ander vvd-Kamerlid, de al lang vergeten Gert Jan Oplaat, tien stellingen had geponeerd die bedoeld waren om de vvd een rechtsere koers te laten varen.

Wilders bepleitte in 2004 onder meer het verhogen van de maximumsnelheid, het halveren van de gelden voor ontwikkelingssamenwerking, het weren van Turkije als lid van de Europese Unie, het uitzetten van radicale imams, het verbieden van radicale moskeeën en het opleggen van een levenslange gevangenisstraf na drie gepleegde misdrijven. U zult bij geen van deze stellingen nog huiveren. Ze zijn al lang in meer of mindere mate gemeengoed dan wel werkelijkheid geworden. Dat moet je Wilders tot nu toe meegeven, hij voelt de tijdgeest goed aan. Of bepaalt hij de tijdgeest?

Sinds vorige week zoemt de vraag rond of Wilders te ver is gegaan. Sinds het spreekkoor op de uitslagenavond van de gemeenteraadsverkiezingen leeft de hoop bij Wilders’ (politieke) tegenstanders dat hij eindelijk zijn eigen graf heeft gegraven, dat hij de tijdgeest heeft overschreeuwd, dat hij een grens is overgegaan. De grap dat het ‘minder, minder, minder’ vooralsnog vooral zijn eigen partij betreft, was snel gemaakt toen een aantal pvv-politici besloot op te stappen. Maar is dit echt het begin van het einde? Eerst zien dan geloven, zou ik zeggen, want Wilders lijkt wel een kat met negen levens.

Terugkijkend op de afgelopen tien jaren Wilders valt één ding vooral op: onmacht. We – politici, tegenstanders en media – weten niet goed hoe we met hem en zijn ideeën moeten omgaan. Het leidde er vaak toe dat Wilders weliswaar de aanzet gaf tot een discussie, maar dat die discussie vervolgens niet meer over hem en zijn ideeën ging, maar over hoe anderen daarmee omgaan. Of het nou om de film Fitna ging, de kopvoddentaks of het Polenmeldpunt.

We weten niet goed hoe we met hem en zijn ideeën moeten omgaan

In de politiek was het d66-leider Alexander Pechtold die de afgelopen jaren het felst afstand nam van Wilders. Pechtold kreeg echter het verwijt dat hij daarmee vooral de eigen partij én bovendien ook de pvv bediende. De harde woordenwisselingen tussen Pechtold en Wilders legden beiden geen windeieren.

vvd en cda probeerden het na de verkiezingen van 2010 anders. Zij kozen als coalitiepartners in het toenmalige minderheidskabinet voor samenwerking met de pvv, met als formeel argument dat je een grote winnaar niet kunt buitensluiten en met als bijbedoeling de pvv zo tot een gewone, kwetsbare partij te maken. Het kwam ze op felle kritiek te staan. Maar kun je een verlies van negen zetels voor de pvv twee jaar later zien als een succes van die missie? Of hebben vvd en cda toen toch vooral zelf vuile handen gemaakt door samen te werken met een partij met abjecte ideeën?

Het doen van aangifte tegen Wilders vanwege discriminatie leidde eveneens tot heftige discussies, ook weer na het spreekkoor van vorige week. Sommigen zien het als hun plicht aangifte te doen, omdat je discriminatie nooit over je kant mag laten gaan. Anderen zeggen juist dat een rechtszaak Wilders te veel en te lang media-aandacht bezorgt. Een derde, zoals de publicist Zihni Özdil, vindt aangifte doen tegen Wilders zelfs hypocriet, omdat volgens hem Wilders niet oorzaak maar symptoom is van het probleem. Dat probleem noemt Özdil ‘institutioneel racisme’.

Ook de media weten niet goed raad met Wilders. NRC-columnist Jan Kuitenbrouwer haalde zaterdag fel naar hen uit. Waarom Wilders zendtijd krijgt en zijn voorgangers Hans Janmaat en Joop Glimmerveen destijds niet, vroeg Kuitenbrouwer zich af. ‘Omdat hij van alle moderne politici het best is aangepast aan de nieuwe, neoliberale mediacultuur waarin alles draait om marktaandelen en rendement.’ Mooie televisie, je hoort het zo vaak in het Kamergebouw, daar draait het om. Wilders begrijpt dat als geen ander.

Misschien zien we nu het begin van het einde van het Wilders-tijdperk. Maar dat is dan niet zozeer dankzij zijn tegenstanders, eerder ondanks. Wilders werkte zijn mogelijke ondergang dan zelf in de hand. Waar hij geen traditionele partij wilde opbouwen uit angst voor onderling gekrakeel krijgt hij dat nu toch. Een deel van zijn eigen mensen is zijn zonnekoninggedrag en wantrouwen zat. Ook is er kritiek op zijn opportunistische linkse koers op sociaal-economisch terrein.

Maar met de Europese verkiezingen in mei ziet Wilders nieuw leven in het verschiet. Hij gokt op een harde tweestrijd met d66. Wilders met zijn pvv faliekant tegen Europa, Pechtold met zijn d66 juichend voor. Goed voor mooie televisie. En dan… meine Ruh ist hin, mein Herz ist schwer, als het aan Wilders ligt, begint hij weer.