Onmogelijk

‘Je klinkt somber…’
‘Heeft niks met het virus te maken.’
‘Wat dan?’
‘Niets troost.’
‘Niks troost jou, wil je dat zeggen?’
‘Misschien… maar ik snap niet hoe het werkt. Ik voel me niet goed, of eigenlijk heb ik geen gevoel, of eigenlijk… nou ja, ik heb het hier al honderden keren met je over gehad… anyway… ik denk dat ik somber ben, en dan wordt er gezegd dat kunst troost.’
‘Ja…’
‘Welke kunst dan? Hoe komt men erbij dat kunst zou troosten? Men raadt aan De pest te lezen. Ik ken het boek, dat troost me niet. Ik zou er eerder beroerd van worden.’
‘Dan draai je muziek.’
‘Welke? Wagner? Zappa? Wat is dat voor onzin? Wat is troost? Dat je verdrietig bent en dan verdrietige muziek luistert en hup, je bent minder verdrietig? Of je hebt doodsangst, je leest een boek dat zich spiegelt met de corona-epidemie die we nou meemaken, en dat we dan minder doodsangst hebben? Kunst als medicijn! Mooi, laat dan de kunstsubsidies maar vallen onder gezondheidszorg!’
‘Wat troost jou dan?’
‘Niets!’
‘Hè, ik heb soms zo genoeg van dat goedkope cynisme.’
‘Lees een boek over een man met goedkoop cynisme en je bent genezen.’
‘Flauw…’
‘Ik meen het. Niks troost. Sterker: jou troost ook niets. De literatuur is er niet om te troosten. Dat doen ridderromans, of driestuiverromans, hoe heten die dingen… Boeketreeksgetrut.’
‘Dan lees je dát. Jij hebt mij altijd geleerd dat het gaat om het goede, ware en schone…’
‘Precies ja!’
‘Dat troost dan toch?’
‘Nee… Dat heeft niks met troost te maken. Troost is proberen mee te leven met iemand die verdriet heeft, en vervolgens de consequenties trekken van dat medeleven. Door langs te komen, bloemen te brengen, boodschappen te doen, weet ik veel. Maar kunst doet geen boodschappen voor je!’
‘Kunst kan boodschappen bevatten waar je iets aan hebt. Kunst kan een zwaar gemoed verlichten.’
‘Die kan ook in de filosofiekalender.’
‘Dan lees je die!’
‘Het gaat niet om die spreuken, of die levenslessen, of die inzichten.’
‘Je zeurt zelf voortdurend over je depressieve gemoedstoestand in De Groene. Daar ontlenen mensen troost aan, weet ik.’
‘Dat is fijn. Maar het gaat om de manier waarop ik dat formuleer.’
‘Het gaat óók om het onderwerp!’
‘We weten niet waar kunst goed voor is, of waar kunst toe dient. Misschien alleen tot vermaak. Je behoort nu tot de elite als je naar een toneelstuk van Shakespeare gaat. Rond 1640 ging iedereen naar Shakespeare. Dat was toen activisme!’
‘Toen troostte Shakespeare de boeren, nu de elite. Dat kan toch?’
‘Ik wil alleen maar zeggen dat alles troost kan bieden. Een goed boek, een slecht boek, een goede film, een slechte, mooie gedichten of lelijke. Een mooi essay… Kunst doet alles. Het ene literaire werk troost, het andere zet aan tot oorlog. Als ik De toverberg lees, krijg ik zin in tuberculose. Troost is leeg.’
‘Je bent gewoon dwars.’
‘Dwars… Ook zo’n kitsch geworden begrip. O, die Eus is zo’n leuke dwarsdenker, en Hupsepups kan prachtig omdenken, en Poepelipoe is een ontzettend troostrijke stand-up drill-rapper-filsosoof van christelijke huize! Het is allemaal stront.’
‘Het doet je goed hè, dat gedwongen thuiszitten?’
‘Natuurlijk doet het me goed. Ik moet nadenken over mijn dood, want ik behoor tot de risicogroep. Over mijn leven dat ik mislukt vind, omdat ik niet heb waargemaakt wat mijn ouders met me wilden, en wat ik met mijn leven wilde. Over mijn mislukte vaderschap, over mijn sociale onvermogen om net zo leuk met mijn kleinkinderen om te gaan als de andere grootouders, over het feit dat ik mijn doodsangst overstem met een geacteerde lach. Over het besef dat troost voor mij onmogelijk is.’
‘Nou, tot morgen maar weer, pap.’