ZESTIG JAAR OORLOG IN KINDERBOEKEN

Onmogelijk moreel ijkpunt

F.F.L. Abbink

Van Engelandvaarders tot Oorlogswinter: Het veranderende beeld van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse jeugd literatuur 1945-2005

Walburg Pers, 103 blz., € 14,50

Marianne Grootenboer

Voorbij Niemandsland (7+)

Van Goor, 132 blz., € 12,95

An van ’t Oosten

De oorlog van Sophie

Davidfonds/Infodok, 146 blz., € 14,95

Johanna Reiss

De schuilplaats (10+)

Vertaald uit het Amerikaans door Bob den Uyl

Querido, 160 blz., € 10,95

«Verhaaltechnisch biedt de Tweede We reldoorlog uitstekende aanknopingspunten: een overzichtelijke periode van vijf jaar, met een dramatisch begin en de bevrijding als happy end. Daartussen spelen verzet en verraad (de ondergrondse en de NSB) en menselijk leed (razzia’s, onderduiken, honger) een rol», aldus Harry Bekkering in het vakblad Literatuur zonder leeftijd. Bekkering heeft ongetwijfeld gelijk; zijn woorden verklaren de aanhoudende vloedgolf van jeugdboeken over de Tweede We reldoorlog, die de afgelopen zestig jaar wat betreft genre en thematiek een grondige verandering hebben ondergaan.

Kort na 1945 werden er vooral nationalis tisch ge tinte, avontuurlijke oor logsboeken geschreven: spannende verhalen over verzetshelden die streden voor God en vaderland, zoals K. Norels tijdens zijn onderduikperiode geschreven trilogie En gelandvaarders (1947).

Maar anno 2005 zijn nieuwe, spannende oor logsavonturen on denk baar. Onder in vloed van een wel erg moreel correcte houding zoeken jeugd boekenauteurs de «grijze» nuance, waarbij heldenverering en standpuntbepaling worden vermeden. Theo Engelen schrijft in Literatuur zonder leeftijd dat «au teurs die in de oorlog slechts een passend decor zien om een spannend verhaal te vertellen zich eens moeten afvragen of het moreel te verdedigen is het leed van miljoenen te exploiteren voor commerciële doeleinden». Engelen vergeet enerzijds dat élk uitgebracht boek deel uitmaakt van de boekenhandel en logischerwijs wordt geëxploiteerd en anderzijds dat oorlog, avontuur en spanning wel degelijk samengaan. «War makes rattling good history; but Peace is poor reading», schreef Thomas Hardy. En hij had gelijk.

Hoe komt het dat jeugdboeken over de Tweede Wereldoorlog geleidelijk veranderden van chauvinistische avon tu renverhalen in licht moralistische, overdachte (jongens)boeken (Oorlogswinter, 1972, van Jan Terlouw en Oorlog zonder vrienden, 1979, van Evert Hartman) en literaire, autobiografische vertellingen (Els Pelgroms De kinderen van het achtste woud, 1977 en Ida Vos’ Wie niet weg is, wordt gezien, 1981)? Dit probeert historicus F. Abbink in haar onlangs verschenen studie Van Engelandvaarders tot Oor logswinter: Het veranderende beeld van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse jeugdliteratuur 1945-2005 te ach terhalen.

Abbink plaatst haar fascinerende onderwerp zo wel tegen de achtergrond van het veranderende beeld van de Tweede Wereld oorlog in de Nederlandse historiogra fie als de veranderende aard en functie van het jeugdboek de laatste zes decennia: «Van wegstoppen en negeren naar het onderzoeken van de vaak schokkende feiten, naar het ontdekken van de menselijkheid en het verdwijnen van alle romantische elementen.» Zo, vindt Abbink, kan de ontwikkeling van het beeld van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse ge schiedschrijving het best worden om schreven. Maar hoe de Nederlandse geschiedschrijving betreffende de Tweede Wereldoorlog zich ontwikkelde vanaf 1990 tot heden blijft in Abbinks boek onderbelicht. De periode 1990-2000 beschrijft Abbink in slechts driekwart pagina; het is onduidelijk waarom, maar Abbink kent de periode 2000-2005 meer belang toe. Ook hier verzuimt ze het hedendaagse historiografische beeld van de Tweede Wereldoorlog te staven met Nederlandse historische werken. De tweeling van Tessa de Loo en de nota bene Duitse film Der Untergang (die bovendien is gebaseerd op de in de jaren zeventig door de Duitse historicus Joachim Fest ge schreven biografieën over Hitler) zijn Abbinks niet-historiografische voorbeelden waarmee ze wil schetsen hoe er aan het begin van de 21ste eeuw «slechts getoond wordt wat er was» en eindelijk ruimte is voor «de naakte waarheid».

Nadat Abbink een groot aantal Nederlandstalige oorlogsjeugdboeken heeft besproken, waaronder klassiekers als Anne de Vries’ Reis door de Nacht (1951-1958), maar ook recent werk van Theo Engelen en Roger Verhoeck, komt ze tot de slotconclusie dat het chauvinistische avonturenverhaal zoals dat kort na de Tweede We reldoorlog verscheen, eerst veranderde in moralistische vertellingen, daarna in literaire, authentieke oorlogs romans en uiteindelijk in verhalen waarin de naakte waarheid spreekt. Maar oorlogsromans die over de naakte waarheid verhalen zijn nog nooit geschreven en zullen ook nooit geschreven worden, omdat dé historische waarheid niet be staat. Geschiedenis blijft een kwestie van in terpreteren. Dus welk verhaal moet je vertellen?

Gelukkig gebruiken kinderboek au teurs momenteel allerlei genres voor hun oorlogsvertellingen, al blijft het literaire, persoonlijke oorlogsverhaal, waarschijnlijk onder invloed van de literaire benadering van de jeugdliteratuur sinds de jaren tachtig, populair. In deze oorlogsromans, vaak autobiografisch getint en overtuigend verteld vanuit het kindperspectief, gaat het meer om de beleving van kinderen dan om concrete oorlogsgebeurtenissen.

De schuilplaats (1974) van Johanna Reiss is een van de eerste oorspronkelijke verslagen over het dagelijkse leven voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Door de ogen van de joodse tienjarige Annie zie je een gewone, alledaagse we reld veranderen in een onbegrijpelijke, drei gen de wereld. Re centere auto biogra fische oorlogsboeken, waarin de Tweede We reldoorlog door de ogen van heel jonge kinderen vorm krijgt, zijn An van ’t Oostens De oorlog van Sophie, verteld vanuit het perspectief van een vijfjarig meisje dat de hongerwinter in een Haagse volksbuurt moet overleven zonder haar opgepakte vader, en Voorbij Niemandsland van Marianne Groo tenboer: een sobere, oprechte vertelling over de zesjarige Marieke, die met haar moeder, babyzusje én inwonende Duitse soldaten (met wie Marieke goede maatjes is) de oorlogswinter zonder vader moet doorkomen. Gaandeweg ontdekt ze dat haar vader ondergedoken zit. Ze gaat naar hem op zoek, met alle spannende, ontroerende gevolgen van dien.

In tegenstelling tot wat Abbink suggereert blijven jeugdboekenauteurs persoonlijke, gekleurde verhalen vertellen, en in tegenstelling tot de moderne geschiedwetenschap, die zich, voorbij de vraag naar goed of fout, richt op het ontdekken en interpreteren van nieuwe feiten, beschouwen zij de Tweede Wereldoorlog zelfs (weer) als «moreel ijkpunt». «We kunnen er geen absolute leefregels aan ontlenen, maar wel stilstaan bij de opties onder extreme omstandigheden», beweert Engelen.

Maar als een jeugdboek over oorlog inderdaad als «moreel ijkpunt» zou moeten dienen, doet de auteur er verstandig aan zich te realiseren dat mensen in oorlogstijd lang niet altijd weten in welke extreme omstandigheden zij zich bevinden en dat ze zich daardoor vaak niet bewust zijn van hun opties. Bovendien moet je je afvragen of Joachim Fest niet gelijk heeft met zijn stelling dat je over de moraal van het Derde Rijk helemaal niets kunt leren. Oorlogsjeugdboeken zijn dan ook ongeschikt om te vertellen over de mogelijke waarheid. Want loop je als kinderboekenschrijver niet onherroepelijk vast op het onoplosbare van het nazisme en de duistere kant van de mens, die in oorlogssituaties vaak overgeleverd is aan willekeur en misverstand?

Wil je jongeren daadwerkelijk vertellen over wat er ooit precies is gebeurd, geef ze dan goed geschiede nisonderwijs. En laat ze op de middelbare school verplicht Hermans’ Donkere kamer van Damokles lezen.