Ryszard Kapuscinski 4 maart 1932

Onnavolgbaar

TASJKENT – In Imperium (1993) schreef Ryszard Kapuscinski zo schrijnend over het wegkwijnende dorpje Mojnak dat ik hem niet kon geloven. Ik wilde het met eigen ogen zien. Dankzij Kapuscinski heb ik de lange reis naar Oezbekistan gemaakt. En sta ik nu in een heet, stoffig Tasjkent te wachten op een bus die me naar Mojnak zal brengen.

Twijfelen aan Ryszard Kapuscinski is bijna heiligschennis. Hij was een doorgewinterde journalist, in zijn vaderland Polen niet voor niets tot ‘journalist van de eeuw’ verkozen. Op zijn 23_ste debuteerde hij met een serie verhalen over het Poolse plattelandsleven: Busz po polsku_ (1962), in het Engels verschenen als The Polish Bush. De bundel werd een bestseller, maar Kapuscinski wilde andere culturen zien, het liefst iets ‘exotisch’, zoals Tsjechoslowakije. Verder durfde de straatarme Kapuscinski niet te denken. Totdat de Poolse krant Sztandar Mlodych hem, als eerste en enige buitenlandcorrespondent, naar India stuurde.

Via Pakistan, Afghanistan en het Verre Oosten kwam Kapuscinski in Afrika terecht, waar hij in 1964 overstapte naar de Poolse persdienst pap_. Daar ontwikkelde hij zijn dubbele-notitieboektechniek: eentje voor de dagelijkse rapportage naar de krant en eentje voor persoonlijke ervaringen waarvan hij dacht dat ze lastig te delen waren met het publiek. Bijna dertig jaar werkte hij voor de_ pap in Afrika. Daarna ging hij schrijven voor The New Yorker _, The New York Times Magazine en het Britse tijdschrift Granta_. Hij schreef naar eigen zeggen voor ‘alle mensen jong genoeg om nog nieuwsgierig te zijn naar de wereld’. Jarenlang werd Kapuscinski getipt als mogelijke winnaar van de Nobelprijs voor literatuur. Hoewel hij die nooit zou krijgen, was hij onvoorstelbaar succesvol. Zijn boeken zijn vertaald in dertig talen. Hij ontving literaire prijzen in diverse landen. Tot zijn bekendste werken behoren Another Day of Life (1976), The Emperor (1978) en Imperium, een reisboek waarin hij de ondergang van de Sovjet-Unie door de ogen van de gewone man beschrijft.

Het verhaal over Mojnak is een van die onnavolgbare vertellingen waarin Kapuscinski grossiert. Voor hem kon een gebeurtenis pas écht worden beschreven als je er als schrijver onderdeel van werd. In zijn reportages gaat hij verder dan zijn zintuiglijke registraties: de persoonlijke ervaring geeft samenhang aan het verhaal. Hij was een pionier van het genre. In zijn gedetailleerde, nu eens poëtische, dan weer bombastische beschrijvingen kreeg de emotie een prominente plaats. Zijn vernieuwende schrijftechniek kwam hem op veel kritiek te staan: hij zou zichzelf onnodig op de voorgrond plaatsen. Een schrijver die jammert over hitte, honger of pijn was voor velen onverteerbaar.

Kapuscinski erkende de ik-zucht die in zijn methodiek schuilde, maar hij was ervan overtuigd dat de waarheid van zijn beschrijvingen afhing van zijn eigen beleving. Die visie kwam voort uit de journalistieke onvrede die hij voelde gedurende zijn jaren als correspondent in de Derde Wereld. De taalkundige armoede van het traditionele persbericht botste volgens hem met de rijke, gevarieerde en vaak onbeschrijflijke realiteit van vreemde culturen. Kapuscinski zocht naar manieren om het onbeschrijflijke toch te beschrijven. Hij liet zich inspireren door het New Journalism (vertegenwoordigd door onder anderen Truman Capote en Norman Mailer) waarin de persoonlijke mening van de auteur een plaats kreeg, en transformeerde dat tot alweer een nieuw genre, namelijk New Literature. Hij noemde het ook ‘literature by foot’ of ‘literary reportage’. Kapuscinski was ervan overtuigd dat de grenzen tussen feit en fictie in de journalistiek zouden vervagen en dat ‘zijn’ New Literature de toekomst had. In 2003 ontving hij de eerste editie van de Lettre Ulysses Award for the Art of Reportage, uitgereikt door het literaire kwartaalblad Lettre International. Een dubbele mijlpaal, want de prijs betekende ook erkenning voor het genre.

In zijn reportages belicht Kapuscinski alledaagse menselijke besognes om ze vervolgens te vergroten tot dramatische proporties. In Another Day of Life ontmoet hij in Ethiopië een man die in zuidelijke richting loopt: ‘Dat is echt het voornaamste wat er over hem te vertellen valt: dat hij van noord naar zuid liep.’ In Imperium wordt hij ontmaskerd door een Siberische omdat hij niet weet ‘hoe echte kou voelt’. Ervaren vertelt ze hoe strenge vorst een ‘helder schijnende mist’ veroorzaakt waarin je lange, onbeweeglijke ‘gangen’ trekt als je er doorheen loopt. ’s Ochtends kan ze uit de hoogte en het aantal van de aangetroffen gangen opmaken of haar klasgenoten al naar school zijn: ‘Zijn er geen gangen, dan vriest het zo hard dat er geen lessen zijn.’ Soms neigen zijn beschrijvingen naar overdrijving. Bij elk hachelijk avontuur is hij ‘doordrenkt van het zweet’. In de Serengeti verblindt een Egyptische cobra hem met ‘wolken van puin’ dankzij haar ‘verschrikkelijke, monstrueuze, kosmische krachten’. In Vorkoetka dook hij een sneeuwwoestijn in, niet beseffend dat hij ‘de dood tegemoet ging’. Zelfs bij een alledaagse douche in Jakoetsk stort er bij Kapuscinski ‘onder geraas kokend water naar beneden’.

Imperium schetst een ontluisterend mensbeeld. Een van de reportages in het boek gaat over het Aralmeer, of beter: wat ooit het Aralmeer was. In de jaren zestig gold het nog als een van de vier grote binnenzeeën van Centraal-Azië; een reusachtig zoetwatermeer, verdwaald in ‘woestijnen, velden van bruine verweerde steen, zonnehitte uit de hemel en zandstormen’. Het werd gevoed door de twee levensaderen van Centraal-Azië: de Syr Darja en Amoe Darja. Hun vruchtbare oevers waren begroeid met ‘welige boomgaarden, noten-, appel- en vijgenbomen, palmen en granaten’. Hier en daar werd zelfs wat katoen geteeld. Dat alles bij een wankel natuurlijk evenwicht waarin elk druppeltje water gekoesterd, gebruikt, uitgeknepen en hergebruikt moest worden. Het wankele evenwicht kantelde toen de opeenvolgende sovjetleiders Chroesjtsjov en Brezjnev besloten dat de katoenoogst verveelvoudigd moest worden. Honderden bulldozers rukten uit om duizenden kilometers irrigatiekanaal te graven. Katoen heeft immers veel water nodig. Zo verdween het kostbare water uit de rivier die het Aralmeer moest voeden doelloos in de pas gegraven geulen en voor een groot deel ook in het slurpende woestijnzand.

Vanuit het kleine taxibusje zijn nog geen katoenvelden te zien. Zelfs niet als we buiten Tasjkent de Syr Darja oversteken. Heeft Kapuscinski het er echt te dik bovenop gelegd? Halverwege de rit zie ik de eerste katoenvelden voorbij schuiven. Er wordt zelfs al voorzichtig geplukt: de oogsttijd nadert. Meer naar het noorden, nabij de oude stad Buchara en meetrekkend met het water van de Amoe Darja, beginnen de katoenvelden elkaar af te wisselen. Het aantal tussenliggende weilanden en boomgaarden wordt op één hand telbaar. Ook die verdwijnen tussen Buchara en het noordelijker gelegen stadje Nukus. Vanaf hier is het alleen nog katoen, katoen, katoen. Maar geleidelijk verandert er iets in het monotone beeld: de bladeren van de groene katoenplant worden valer, haar stelen korter en haar witte plukken katoen doffer. Een onheilspellend teken van een groeiend gebrek aan water.

Het ergste moet nog komen, fluistert Kapuscinski in mijn hoofd. Zijn bitterste beschrijving van het slinkende Aralmeer gaat over die kleine nederzetting in het noorden. Na de overstap in Nukus vind ik een plekje achter in de oude, uitpuilende bus. Gezeten op een stapel watermeloenen hap ik zes uur achtereen stof voordat ik in het afgelegen Mojnak aankom. Mijn buurman, een lokale Karakalpak, probeert een praatje met me te maken, maar ik versta hem niet. De paar woorden Russisch die ik ken, begrijpt hij niet. In plaats van een gesprek biedt hij me twee kleine tomaten en een stuk droog brood aan. Starend uit het raam vraag ik me af hoe Kapuscinski het veertig jaar volhield om van de ene surreële gebeurtenis naar de andere hachelijke situatie te reizen. Kapuscinski was als correspondent in zijn eentje verantwoordelijk voor heel Afrika: vijftig landen in een reusachtig continent dat op ruwe wijze dekoloniseerde. Overal heerste chaos. En waar de chaos het grootst was, daar was Kapuscinski. Hij was getuige van 27 revoluties en staatsgrepen. Om het werkelijke verhaal te achterhalen wurmde hij zich met gevaar voor eigen leven elk rampgebied binnen teneinde met eigen ogen te zien wat er speelde.

Berucht is een anekdote uit De voetbaloorlog (1991), in het Pools gepubliceerd in 1978. Daarin beschrijft hij een weg in Nigeria waar volgens de legende ‘geen blanke man ooit levend van was teruggekeerd’. Een gerucht dat hij zelf moest en zou ervaren. Bij de eerste wegversperring werd hij in elkaar geslagen, maar toen hij tolgeld betaalde mocht hij doorrijden. Bij de tweede blokkade kreeg hij weer klappen, werd overgoten met benzine en dreigde in lichterlaaie gezet te worden. Na afgifte van de rest van zijn geld kreeg hij wederom groen licht. Tegen de tijd dat hij aankwam bij de derde versperring was hij platzak en licht ontvlambaar. Hij redde het vege lijf en stuurde een huiveringwekkend relaas naar Polen. Zijn telex werd beantwoord met een fax van zijn baas met daarin het bevel om ‘te stoppen met deze waanzin die zal eindigen in tragedie’.

Wat tragedie was, wist Kapuscinski sinds zijn jeugd, zoals hij prachtig beschrijft in het essay When There is Talk of 1945 (in Granta 88, 2004). De jonge Ryszard maakte zowel de inval van de nazi’s als de bezetting van zijn geboortedorp Pinsk door het Rode Leger mee. Lange tijd geloofde hij dat oorlog bij het dagelijks leven hoorde. De stilte die volgde als de bombardementen stopten, was voor Kapuscinski onbegrijpelijk. ‘Ouderen kunnen zeggen dat de hel voorbij is en dat eindelijk de vrede terugkeert’, schreef hij. Maar hij kon zich niet herinneren wat vrede was. Toen oorlog en bezetting voorbij waren, was ‘de hel het enige wat ik kende’.

Misschien dreef zijn oorlogsverleden Kapuscinski naar onrustige gebieden en voormalige koloniën en voelde hij een zielsverwantschap met hen die nog steeds die wereldlijke hel beleefden. Zoals de arme Karakalpakken in dat kleine dorpje in Noord-Oezbekistan: ‘Een trieste nederzetting, Mojnak. Ze ligt op de plek waar de mooie, levengevende Amoe Darja vroeger in het Aralmeer uitmondde, een ongewone zee omringd door woestijnen. Vandaag is zowel de rivier als de zee verdwenen. Het groen in de nederzetting is verdord, de honden zijn dood. De helft van de mensen is vertrokken, zij die zijn gebleven kunnen nergens heen. Ze werken niet, want het zijn vissers en er is geen vis. Van de 178 soorten vis en frutti di mare zijn er nog maar 38 over. Het is trouwens ver naar het water, hoe moet je daar door de woestijn komen?’

Het dichtstbijzijnde water ligt ruim honderd kilometer van het eens zo vlijtige vissersdorpje verwijderd. Ertussen liggen de roestende wrakken van wat ooit vissersboten waren. Aan de rand van de klip waarop ooit de golven kapotsloegen, staat een oorlogsmonument van grijs beton. Zittend tuur ik in de verte, over de eindeloze zandvlakte. Ik stel me het dorpsleven van veertig jaar geleden voor. De diepblauwe binnenzee die leven bracht in de woestijn, het ruisen van de golven, het gezang van de vogels, de wind in mijn gezicht. Die wind is er nog steeds, maar hij ruikt lijmachtig en getuigt van de bacteriologische ramp die honderd kilometer verderop plaatsvindt. De vogels zijn gevlogen, het water is verdampt. Wat rest is zout dat op je lippen neerslaat. ‘Inderdaad, een glimlach hier lijkt onoprecht, een lach zou hier klinken als het gekras van een verroeste spijker over glas’, schreef Kapuscinski. Geloof me, hij had gelijk.

23 januari 2007