Onneembaar fort

Johannesburg - Regelmatig stel ik vrienden en mensen die ik interview die prangende vraag: hoe komt het toch dat, ondanks de gigantische verschillen, de massa’s uit de krottenbuurten nooit zijn opgetrokken naar de rijke blanke wijken om ‘te halen wat van ons is’? Zeg maar een Zuid-Afrikaanse urbane variant op de boerderij-invasies in Zimbabwe. De vrienden en geïnterviewden komen doorgaans met ingewikkelde verklaringen waarin de positie van de blanke, gehoorzaamheid aan het ANC, ontzag, en de gefragmenteerde zwarte gemeenschap een rol spelen. Maar iets wat iedereen over het hoofd ziet is dat het fysiek eenvoudigweg heel lastig is om die welgestelde wijken binnen te vallen. Want sinds de verkiezingen van 1994 zijn de huizen van hen die het zich kunnen veroorloven veranderd in schier onneembare forten.
Nadat blank zijn politieke macht had verloren trok hij zich terug in zijn huis, zijn bastion, de enige plek waarover hij nog steeds volledige heerschappij heeft. Hier entertaint hij zijn vrienden, lummelt hij bij het zwembad en beschermt hij vrouw en kinderen tegen die grimmige buitenwereld. Kosten noch moeite worden gespaard. Of zoals een overbuurvrouw het verwoordde: 'The safety of my children is non-negotiable.’ Dus hoor je woedende honden en zie je verhoogde muren opgetuigd met schrikdraad. Je loopt door tuinen en kamers die zijn beveiligd met elektronische ogen die een sirene kunnen doen loeien. Binnenshuis zijn kluizen en aparte stalen deuren die het slaapgedeelte afsluiten van het woongedeelte, zodat je ’s nachts relatief veilig bent ook al halen dieven de woonkamer leeg.
Ook kreeg Johannesburg te maken met ontelbare beveiligingsbedrijven met namen als Core en 24/7 die met opgepimpte bakkies in suburbia patrouilleren. Je kreeg de boomed streets, met slagboom afgesloten straten. Er kwamen security villages, ommuurde, beveiligde nieuwbouwbuurten, waarbinnen je de achterdeur gewoon open zou moeten kunnen laten. Een waanidee natuurlijk, want er zijn te veel zwakke schakels: omkoopbare bewakers, losvaste bouwers, ontslagen of loslippig personeel, et cetera. Zo is Johannesburg veranderd in een stad als een labyrint, waarin je al rondrijdend alleen maar kunt fantaseren over wat zich achter al die metershoge muren afspeelt. Soms zie je de rijen auto’s voor de deur (en een onvermijdelijke autowacht), ruik je de braai en hoor je de muziek of de joelende kinderen bij het zwembad. Feestje. En soms krijg je eindeloos bellende bedelaars aan de deur, zoals onlangs de stomdronken Joseph, die om geld vroeg en in dezelfde adem meldde dat hij 'blanken haat’. 'When I see a white I want to kill him.’ Op zo'n moment ben je toch blij met dat elektronische metalen hek dat de garage van de straat scheidt.