Auschwitz door de lens van de SS

Onnozele geiten

Het onlangs verschenen Höcker-album toont kiekjes van Duitsers die zich onder de rook van Auschwitz vrolijk maken om elkaar. Onverschilligheid jegens genocide is misschien wel net zo schrijnend als er actief aan meewerken.

Het zojuist in Nederland als eerste verschenen Höcker-album is een van de meest fascinerende boeken die ik in tijden in handen heb gehad. Het is niet eenvoudig uit te leggen waarom dat zo is – en dat terwijl ik zeker weet dat een ieder bij het bladeren in dit boek een vergelijkbare sensatie ervaart: dat zoiets bestaat!

Tot voor kort bestond Het Höcker-album: Auschwitz door de lens van de SS níet en lieten beelden van het Auschwitz uit de jaren der verschrikking bijna uitsluitend slachtoffers zien. Bekend vooral werden de duizenden foto’s die de Poolse fotograaf Wilhelm Brasse verplicht werd te nemen. Daaronder de hartverscheurende foto van Czeslawa Kwoka, een kind van veertien in een concentratiekamppakje, met een hoofddoek op en ogen die geen duizend woorden kunnen beschrijven. Bekender wellicht nog zijn de foto’s van het zogenoemde Auschwitz- of Lili Jacob-album: van de aankomst, selectie, onteigening en voorbereiding voor vernietiging van een grote groep Hongaarse joden in mei 1944. Ook onder deze foto’s zijn er vele onverdraaglijk, ze laten je niet los. Zo is Auschwitz: oord van verdriet, schaamte en schande. Daarom kan en mag het Höcker-album niet bestaan.

Maar het bestaat wel, of eigenlijk bestond, in een kelder in de Verenigde Staten. De precieze toedracht is onbekend, maar de feiten zijn ongeveer als volgt. In juni 1945 nam een niet nader genoemde Amerikaanse inlichtingenofficier zijn intrek in een appartement in Frankfurt. Daar vond hij een fotoalbum zoals er op het eerste gezicht vele zijn: met foto’s van het dagelijks leven, van pratende, etende, drinkende en naar de camera lachende mensen. Er was één verschil met de meeste van dergelijke albums, en dat verschil zal de reden zijn geweest dat de officier het album in zijn koffer stak: de afgebeelde mensen waren bijna zonder uitzondering geüniformeerd en bevonden zich onmiskenbaar op en rond een plek die ook toen al niets dan afschuw opwekte: Auschwitz.

Toch zal de Amerikaan niet veel meer van de foto’s hebben kunnen maken. Vandaar, vermoedelijk, dat hij het album wel interessant genoeg vond om mee te nemen, maar niet interessant genoeg om openbaar te maken. Nog afgezien van de vraag of dat destijds mogelijk was geweest. Wie interesseerde zich in de jaren veertig en vijftig nu voor dergelijke op het eerste gezicht banale plaatjes? Wie interesseerde zich überhaupt voor Auschwitz?

Vanaf de jaren zeventig veranderde het perspectief op de Tweede Wereldoorlog. In toenemende mate werd de oorlog met de shoah geassocieerd. Steeds meer van de verdrietige foto’s werden bekend. Ze zullen de Amerikaanse officier tot het besef hebben gebracht dat ‘zijn’ album meer dan anekdotische betekenis had. Kort voor zijn dood, in december 2006, schreef hij een briefje aan het United States Holocaust Memorial Museum in Washington met de vraag of men belangstelling had voor Auschwitz-foto’s met een geheel andere strekking dan de bekende. Dat had men. Meer nog: nadat de conservatoren van het museum het album hadden bekeken, beseften zij dat dit een unieke vondst was en zetten alles op alles om achtergrond en toedracht ervan te achterhalen. Dat bleek niet eenvoudig. Vandaar dat men eind 2007 besloot de vondst, voorlopig alleen digitaal, in de openbaarheid te brengen.

Ik kreeg het album vrij spoedig daarna voor het eerst onder ogen. Sindsdien heb ik het heel wat keren gebruikt bij lessen of lezingen. Maar ook ik wist er niet veel meer van dan je op de foto’s kunt zien. Dankzij de boekuitgave met uitvoerige inleidingen is dat veranderd. Er is veel achterhaald over de afgebeelde personen en situaties. Het maakt het album nog aangrijpender dan het zonder die informatie al was.

Om te beginnen de feiten. Het Höcker-album is genoemd naar de meest voorkomende persoon in het album, tevens de vermoedelijke samensteller: Karl Friedrich Gottlieb Höcker, geboren in 1911, gestorven in 2000 en van mei 1944 tot februari 1945 (toen Auschwitz werd ontmanteld) assistent van kampcommandant Richard Baer. In die functie was Höcker verantwoordelijk voor administratieve zaken en onder meer baas van de zogenoemde SS-Helferinnen, vrouwen van een jaar of twintig die een soort secretaresseopleiding hadden gevolgd en allerlei hand- en spandiensten verrichtten. Hetzelfde maar dan op hoger niveau deed Höcker zelf. Voorzover bekend was hij niet betrokken bij de selectie van gevangenen, laat staan bij daadwerkelijke moorden of andere vreselijkheden. Dat maakt zijn positie niet beter, wel anders, en het verklaart vermoedelijk ook waarom hij geen kwaad zag in een album met kiekjes uit zijn leven van alledag. 116 plakte hij er in. Bij nogal wat van die kiekjes staan nietszeggende bijschriften (‘Auf der Terrasse der Hütte’), slechts van vier personen wordt de naam genoemd en slechts twee keer wordt een datum vermeld (21 juni en 22 juli 1944).

Dankzij het onderzoek van de afgelopen jaren weten we dat op de meeste foto’s Höcker zelf te zien is. Hij is een – wat je noemt, denk ik – mooie man, heeft een fatsoenlijk gelaat en een licht verlegen gezichtsuitdrukking. We zien hem spelen met zijn hond Favorit, tevreden zonnen op het terras, te midden van zijn vrouwelijke hulpjes in de lens stralen, kaarsjes van een kerstboom aansteken, spreken, poseren en zingen met collega’s. We zien hem tijdens een jacht, op een begrafenis van bij een bombardement omgekomen SS’ers, bij de opening van het Auschwitz SS-ziekenhuis, aan tafel, verkleed als mijnwerker en tijdens schietoefeningen.

Op zichzelf zijn de foto’s stuk voor stuk zonder belang of betekenis. Maar juist daarom zijn ze zo opzienbarend. Je weet immers dat op hetzelfde moment, in en rond de zomer van 1944, aan de andere kant van het hek onbeschrijflijke dingen gebeurden. Hoe konden die mensen, wetende en ruikende wat op een steenworp afstand gebeurde, lachen? Hoe konden ze lekker in luie stoelen hangen, besjes eten, grapjes maken? Hadden ze geen gevoel? Waren ze, ondanks hun menselijke verschijningsvorm, niets dan beesten, barbaren, bruten en schoften?

Het antwoord op de laatste vraag kan in eerste instantie niet anders dan bevestigend zijn. Vanzelfsprekend zijn er geen goede woorden te bedenken voor mensen die meedraaien in een genocidesysteem als dat van de nazi’s. Tegenover deze evidentie staat echter dat kwalificaties als de bovenstaande te eenvoudig en te voor de hand liggend zijn. Bovendien, wat heb je eraan? Neem die Helferinnen. Zonder hen, zo kun je stellen, had het systeem niet gewerkt. Ze waren daarin weliswaar kleine radertjes, maar als zodanig toch onmisbaar. Waren zij dus, zoals een van de inleiders met directe verwijzing naar de titel van Daniel Goldhagens spraakmakende boek Hitlers gewillige beulen stelt, ‘bereidwillige volkenmoordplegers’? Volgens mij is dat onjuist. Volkenmoordplegers wáren de Helferinnen. Maar waren ze bereidwillig?

Dit laatste geldt wel voor Höcker – en meer nog voor de andere hotemetoten die op de foto’s staan afgebeeld, onder wie Auschwitz-­commandant Richard Baer, voormalig Auschwitz-­commandant Rudolph Höss en Joseph Mengele. Van Höcker weten we weliswaar niet zo veel, maar genoeg om te begrijpen dat hij een van de duizenden Duitsers was die uit overtuiging voor het nazisme kozen en bereidwillig meewerkten aan genocide. Höcker, voor en na de oorlog klerk bij een bank, veranderde tijdens de oorlog nauwelijks van werk. Papieren, cijfers, geregel en afspraken maken c.q. nakomen. Daaruit bestond heel zijn arbeidzame leven. Wat op die papieren stond, waarop de cijfers betrekking hadden, wat er geregeld, afgesproken en nagekomen moest worden, het deed er niet toe. Als het maar gebeurde.

Vanzelfsprekend werd Höcker niet van de ene op de andere dag een bereidwillige moordenaar. Hij solliciteerde in 1933 voor de SA – een dergelijke politieke sollicitatie was overigens verplicht, elke volwassen Duitser werd ingeschakeld in het systeem. Hij werd niet aangenomen. Dat lukte wel bij de (Allgemeine) SS. In 1937 werd hij partijlid en in 1939 werd hij opgeroepen voor de Waffen-SS. Maar hij had een sport­blessure, hoefde daarom niet naar het front en werd ingezet bij de organisatie van het thuisfront, in zijn geval bij de administratie van achtereenvolgens de concentratie­kampen Oranienburg, Neuengamme, Arbeitsdorf (bij Neuengamme), Majdanek en uiteindelijk Auschwitz. Ondertussen volgde hij een SS-­officiersopleiding aan de Junkerschule in Braunschweig. Kortom, Höcker maakte onmiskenbaar carrière, Auschwitz was daarop de kroon.

Hoewel we van zijn gelijktijdige politieke en mentale ontwikkeling niets weten, is het niet moeilijk daarover met grote mate van zekerheid uitspraken te doen: het systeem had zijn volledige instemming; cijfers, afspraken en ander geregel dat betrekking had op ‘terroristen, joden, communisten en andere volksvijanden’ droegen bij aan een goede toekomst. Höcker was, al zijn latere ontkenningen ten spijt, een bereidwillige massamoordenaar.

Maar geldt dat ook voor zijn Helferinnen? De meest fascinerende foto’s uit het album tonen Höcker te midden van zo’n tien van ‘zijn’ meiden. Ze stralen. Meer nog: ze geiten. Ze trekken gekke bekken, rennen, nemen vreemde houdingen aan, zingen. Je ziet jonge vrouwen die een dagje uit zijn en er het beste, mooiste, leukste van maken. Bereidwillige massamoordenaars?

Was het maar zo, dan was de geschiedenis van nazi-Duitsland en vergelijkbare politieke systemen relatief snel geschreven. Het was precies die snelheid die Goldhagen in Hitlers gewillige beulen nastreefde: Duitsland werd tussen 1933 en 1945 bevolkt door moordenaars, aldus zijn centrale stelling. Zo simpel was het. Maar dergelijke ‘grote sprongen, snel thuis’-geschiedschrijving is onzinnig. Zo is het niet, zo is het nooit. De Helferinnen waren niet zozeer bereidwillig, ze waren vooral onnozel. Dat maakt hun zaak niet beter, het maakt hem wel anders. Onnozelheid en bereidwilligheid zijn niet hetzelfde. Het resultaat kan hetzelfde zijn en was het in dit geval ook. Maar de achtergrond is een andere. Het is van groot belang dat in te zien. Het Höcker-album kan daarbij helpen.

De geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog heeft, als je haar bekijkt vanuit de groepen waarvoor aandacht is geweest, een aantal fasen doorlopen. Aanvankelijk ging de meeste belangstelling uit naar degenen die zich hadden verzet tegen de nazi’s. Er was ook wel belangstelling voor de slechte daders, maar die stond geheel in het teken van de rechtspraak – en was dus meer gericht op schuld en boete dan op beschrijving en verklaring. Vervolgens kwam er een lange periode waarin de meeste aandacht uitging naar de slachtoffers. Die fase domineert nog altijd, terwijl ook de aandacht voor het verzet af en toe weer opleeft.

Ondertussen groeide ook de aandacht voor een derde groep, de zogenoemde omstanders. Over het algemeen hebben zij niet echt iets gedaan, maar ook niet echt niets. Onverschilligheid, zich afwenden, publiekelijk zwijgen en heimelijk spreken, zo was hun houding. Onder anderen Ian Kershaw heeft de afgelopen jaren over deze groep interessante mededelingen gedaan, onder meer in Hitler, de Duitsers en de holocaust. Beroemd werd zijn zinsnede dat de weg naar Auschwitz gebouwd was uit haat maar geplaveid met onverschilligheid. Dat, en dan in extreme mate, is precies wat het Höcker-album toont: geen haat maar vergaande en onbegrijpelijke onverschilligheid.

Die onverschilligheid is te meer zo belangrijk omdat de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog zich in toenemende mate richt op daders, niet de goede maar de slechte. Hierbij wordt weliswaar teruggegrepen op het juridisch onderzoek van weleer, maar het oogmerk is anders: niet misdaad en straf, maar misdaad en verklaring of begrip. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat…

Höckers Helferinnen waren geen moordenaressen. Zij waren onnozele geiten wier onnozelheid hun maar wat goed van pas kwam. Het is vooral deze onnozelheid die dit fotoalbum zo schokkend maakt.

Het Höcker-album: Auschwitz door de lens van de SS, ingeleid en geredigeerd door Christophe Busch en Robert Jan van Pelt, Uitgeverij Verbum, 333 blz., € 24,50