Over stille veldwegen en door in zichzelf gekeerde dorpjes loop ik naar de grenspost Letenye. Zometeen steek ik de Kroatisch-Hongaarse grens over. Die valt samen met de rivier de Mura. Links en rechts liggen velden vol zonnebloemen. Maïs schiet hoog op, boeren halen hooi binnen en ik passeer lange stroken met lavendelstruiken. Het is nog vroeg in de ochtend. Vanmiddag wordt het 36 graden. Nu is het nog uit te houden. Voor de grenspost liggen twee cafés waar vrachtwagenchauffeurs koffie drinken. Ik neem cappuccino. Op mijn e-reader herlees ik, voor de zoveelste maal, Die Welt von Gestern van Stefan Zweig. De grote Oostenrijkse auteur schreef vaak over grenzen. Het is een van de thema’s die het meesterwerk van tachtig jaar geleden nog steeds onweerstaanbaar maakt.

Zweig werd geboren in 1881 en benadrukt hoe hij opgroeide in een wereld zonder slagbomen, paspoorten en grenspolitie. Vanzelfsprekend waren er in zijn Habsburgse Rijk al geen binnengrenzen meer, net zomin als die er zouden moeten zijn in de Europese Unie van vandaag. Maar tot de Eerste Wereldoorlog was ook de rest van de wereld vrijwel grenzeloos.

‘Voor 1914’, schrijft Zweig, ‘was de aarde van alle mensen. Iedereen ging waar hij wilde en iedereen bleef zo lang hij wilde.’ Zweig zegt te genieten van de verbazing van jonge mensen wanneer hij hen vertelt dat hij voor 1914 zonder paspoort naar India en Amerika reisde. ‘Ik had zelfs nog nooit een paspoort gezien. Je stapte in en je stapte uit. Nergens hoefde je vragen te beantwoorden. (…) Er bestonden geen toelatingsbewijzen, geen visa, geen verplichtingen. Dezelfde grenzen die nu door douaniers, politiemannen, marechaussees en dankzij het pathologische wantrouwen van allen jegens allen in prikkeldraadversperringen zijn veranderd, waren toen nog symbolische lijnen. Je stapte er even zorgeloos overheen als je de Greenwich-meridiaan overstak.’

Beter is het er niet op geworden. Zeven landen ben ik inmiddels doorgewandeld. Telkens wanneer ik een grensovergang passeer, ervaar ik stress. Die voel ik niet alleen bij zwaarbewapende grenzen als die tussen Israël en Palestina, tussen Zuid- en Noord-Cyprus of van Turkije naar Bulgarije. Zelfs een simpele grens als die tussen Kroatië en Hongarije, allebei lid van de Europese Unie, bezorgt me een gevoel van onbehagen. Ons ‘pathologische wantrouwen van allen tegenover allen’ (Zweig) geeft simpele grensambtenaren een haast ongekende macht. Wie wil, vindt altijd wat. Een zakmes dat als verboden steekwapen wordt ingenomen, een exotisch plantenstekje dat niet mag worden ingevoerd, een kreuk in je paspoort waardoor het niet meer geldig zou zijn.

Waar blijft onze verwondering, onze ergernis, over al die grenzen? Zweig, die het optrekken ervan meemaakte, noemt ze aanvankelijk ‘zinloos, provinciaal en kunstmatig’.

Later wordt hij stelliger: met al die grenzen verdwijnt ook het idee dat de aarde aan ons allen toebehoort. ‘Na de Eerste Wereldoorlog begon de vernietiging van de wereld door het nationaal-socialisme. Als eerste fenomeen bracht de geestelijke epidemie van de eeuw de xenofobie voort. De vreemdelingenhaat of, in elk geval, de angst voor vreemdelingen. Overal ging men zich verdedigen tegen de buitenlander, overal werd hij uitgesloten.’

Zweig overleed in 1942. Het Verdrag van Schengen, dat veel Europese grenzen weer opheft, mocht hij niet meer meemaken. Hongarije is zo’n Schengenland. Lukt het je om Hongarije binnen te komen vanuit, bijvoorbeeld, Oekraïne, Servië of Kroatië, dan kun je ongehinderd naar een van de overige 29 landen reizen. De strenge controle vindt immers plaats aan de buitengrens van Schengen. Zoals op de grenspost Letenye.

Aan de Kroatische kant gaat het er gemoedelijk aan toe. Het zal de Kroaten immers een zorg zijn wie naar Hongarije wil. Enkele auto’s wachten voor een hokje. Ik sluit achter de auto’s aan. Even later buk ik me bij een ovaalvormig hok en geef door het schuifraampje mijn paspoort aan de beambte.

Hier is het rustig, aan de overkant van de brug wachten de Hongaren. Daar kan het wat onaangenamer zijn. Hongarije is immers niet alleen een buitengrens van Schengen, het land is ook geen fan van de liberale democratie, van onafhankelijke media, van vluchtelingen, moslims, joden, homo’s en kosmopolieten. Niet alleen premier Viktor Orbán verlangt naar een wit, christelijk en heteroseksueel Hongarije. Met 133 zetels in het 199-koppige parlement lijken de meeste Hongaren er niet veel anders over te denken. Aan deze buitengrens verwacht ik vragen en opgetrokken wenkbrauwen. Net als in de goede oude tijd, zo’n veertig jaar geleden, toen de communist János Kádár hier nog autoritair de scepter zwaaide.

De Kroatische beambte scant mijn paspoort en geeft het ongeïnteresseerd terug. Ik loop door, richting de rivier. Wanneer ik de brug nader, zie ik aan de overkant enorme rollen Navo-draad glinsteren. In het water van de Mura staan de eerste hekken, om vervolgens ver te kronkelen door de struiken en bomen, zover het oog rijkt. Ook op die hekken liggen rollen draad. Hier komt niemand overheen. Een menselijke ziel is nergens te bekennen. Laat staan een vluchteling, voor zover die het rijk van Orbán überhaupt al binnen zou willen.

Vlak na de brug leiden dwingende borden met ‘all passports’ me door een lange, smalle corridor. Ik loop honderd meter tussen roestige, drie meter hoge afrasteringen met ook daarop vervaarlijke rollen draad. Andere borden verbieden me te fotograferen en dreigen met videobewaking. Het ziet er al net zo intimiderend uit als in de tijd van de Koude Oorlog. Maar toen liepen overal mannen in uniformen, met wapens of honden. Nu zie ik geen mens. Ook kan ik geen enkele camera ontdekken. De laatste tien meter in de corridor staat vol opgeschoten gras. Hier is allang niemand meer doorheen gelopen.

De corridor eindigt bij een slagboom. Ook voor deze slagboom wacht een rij vrachtwagens. Ze hebben hun motoren afgezet. Het ruikt naar asfalt, naar benzine, naar bureaucratie, naar Oostblok. Een stoplicht staat op rood. Ik ben geen vrachtauto, dus ik loop om de slagboom heen, in de verwachting ergens op een grenswacht te stuiten. Ook hier is niemand. Geen douanier, geen politie, geen soldaten. Op een kruk staat een laptop: over het scherm trillen grillige lijnen als in een cardiogram. Iemand heeft het ding zojuist nog bediend. Ook die iemand is nergens te bekennen. Achter de ramen van de oude grensgebouwen wijst al even weinig op leven. Alles is verveloos. Pleisterwerk ligt voor de muren. Het is stil en verlaten. Krekels sjirpen. Op een dak raspen zwarte vogels.

En verder loop ik. Door de hitte, over zacht asfalt en langs een eindeloze rij verveloze deuren en vuile ramen. Sommige hebben tralies. Zowel in Polen als in de voormalige DDR en het Hongarije van Kádár heb ik wel eens achter zo’n raam gezeten, opgepakt door de grenspolitie, de Volkspolizei of de Rendörség. Omdat ik niet de juiste stempels in mijn paspoort had, me in de geüniformeerde ogen verdacht gedroeg of domweg naar de grens was gebanjerd terwijl je de auto nog niet uit mocht. Telkens weer lieten ze me na enkele uren en met een geërgerd ‘ophoepelen jij’ weer gaan.

Afijn, dat was toen, lang voor 1989. Nu loop ik door een sinister en verlaten grensgebied dat niettemin de buitengrens is van Schengen. Honderd meter verderop doemen weer grenshuisjes en slagbomen op. Hier zal ik toch eindelijk gecontroleerd worden. Hier zal de Hongaarse overheid me met wantrouwen bejegenen, lastige vragen stellen, mijn paspoort scannen en opslaan in zijn databestanden. Maar ook deze huisjes zijn leeg. Ik blik door de vlekkerige ramen en zie niet meer dan een oud houten tafeltje en een kapotte stoel. Alsof dertig jaar geleden de deur werd dichtgetrokken en niemand ooit de moeite nam wat op te ruimen.

Wat nu? Ik draai wat rond, zoek voor de laatste keer naar geüniformeerd leven of, eventueel, een bewakingscamera. Er gebeurt niets. Ik blijf omringd door knisperende stilte. Opnieuw loop ik om de slagboom heen. Twintig meter verder stap ik op de openbare weg naar het stadje Letenye, op een uur lopen. Ik ben bepaald de enige niet die Schengen binnenwandelt zonder dat iemand het merkt. Dagelijks komen zeker 350 migranten ongeregistreerd de Europese Unie binnen.

Ik drink een slok water, trek de riemen van mijn rugzak nog maar eens aan, loop naar Letenye en haal mijn eerste forinten uit de muur. Dan zoek ik een eettentje en bestel lunch. Ik ben in Hongarije, het achtste land dat ik in mijn omgekeerde kruistocht zal bewandelen.

Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl