REQUIEM VOOR EEN KABINET

Onrust en onmacht

Over het onfatsoenlijke gedrag van een fatsoenskabinet. En een minister die alle regels aan haar laars lapte, maar tegelijkertijd gemakzuchtig werd gehaat.

Ook een kabinet waarvan het vertrek niet wordt betreurd, heeft recht op afscheidswoorden. Dat is een kwestie van fatsoen en daar hechtte de nu vertrekkende ploeg sterk aan toen deze, in de oorspronkelijke samenstelling van cda, vvd en d66, in mei 2003 aantrad. De passages in het toenmalige regeerakkoord over respect en fatsoen en de noodzaak energie te stoppen in de overdracht van waarden en normen zijn daar de stille getuigen van.

Als Balkenende en de zijnen zouden worden beoordeeld op de mate waarin het praten over normen en waarden en het elkaar aanspreken op gedrag weer mag, dan kan worden gezegd dat ze succesvol zijn geweest. Het paradoxale is echter dat ze zelf niet het goede voorbeeld hebben gegeven. ‘Fatsoen-moet-je-doen’ was niet hun sterkste kant. Zelden is in een kabinetsploeg en binnen coalitiepartijen zo openlijk op elkaar gescholden, over elkaar geroddeld en met obscene gebarentaal gewerkt als de laatste jaren. Kijkend naar dat gedrag blijken de kabinetsleden meer kind van hun tijd te zijn geweest dan ze zelf waarschijnlijk vooraf hadden vermoed.

Het waren vooral daardoor tumultueuze jaren. Zo moest vvd-staatssecretaris van Onderwijs Annet Nijs vertrekken omdat haar positie onhoudbaar was geworden door parlementair onfatsoenlijke woorden over haar minister Maria van der Hoeven. d66-partijleider Thom de Graaf stapte op als minister van Bestuurlijke Vernieuwing na een nederlaag in de Eerste Kamer, maar deed dat vooral uit woede op zijn eigen fractievoorzitter in de Tweede Kamer, Boris Dittrich. Die twee spreken sindsdien niet meer met elkaar. Dittrichs positie werd op haar beurt onhoudbaar na een ongelooflijk felle, interne ruzie tussen fractie en bewindspersonen over de kwestie-Uruzgan, een ruzie die ook alles behalve de fatsoensprijs verdient.

Maar dit alles verbleekt bij de invloed die één persoon van de ploeg heeft gehad op de sfeer binnen het kabinet, de manier van discussiëren in de Tweede Kamer, de eenheid van haar partij en het klimaat in de samenleving. Toen de onbekende Rita Verdonk een kleine vier jaar geleden door toenmalig vvd-partijleider Gerrit Zalm gevraagd werd toe te treden tot het kabinet, vermoedde niemand wat voor vlees men in de kuip had gehaald. Ook Zalm niet.

Verdonk was toen nog maar één jaar lid van zijn partij en had nog nergens in een democratisch gekozen bestuur of vertegenwoordiging na te trekken sporen achtergelaten. Ze kreeg de post Vreemdelingenzaken en Integratie, omdat partijgenoot Henk Kamp deze ondankbare, zware portefeuille liever aan zich voorbij zag gaan. Je zou het een samenloop van omstandigheden kunnen noemen, maar je zou het ook Zalm kunnen verwijten zijn keuze voor de onervaren Verdonk op juist deze post onvoldoende doordacht te hebben.

Inmiddels wordt Verdonk verguisd en aanbeden. Verguisd vooral in de Haagse wereld, aanbeden door de ruim zeshonderdduizend kiezers die op 22 november hun stem doelbewust op haar uitbrachten en daarmee voor een unicum zorgden: een nummer twee die meer stemmen vergaarde dan de lijsttrekker. Verdonk gaat prat op beide reacties die ze bij haar omgeving oproept. Sterker, ze heeft de verwensingen en scheldpartijen aan haar adres nodig om haar supportersschare aan zich te kunnen blijven binden. Het is een inmiddels niet meer erg originele truc die ze van Pim Fortuyn heeft afgekeken: doen alsof je niet bij de Haagse kliek hoort om daarmee in te spelen op het gemakkelijk op te roepen gevoel bij menige kiezer dat de politiek er toch maar een zooitje van maakt.

Het is fascinerend dat één persoon, Rita Verdonk, het kabinet en haar partij zo heeft kunnen gijzelen en dat niemand van degenen die daar een einde aan wilden maken, daarin slaagde. Dat kwam door een nog onontwarde kluwen van factoren. Binnen kabinet, coalitie en partij hebben ze haar te lang haar gang laten gaan om nog zonder kleerscheuren en gezichtsverlies te kunnen ingrijpen. Te lang ook hebben ze de letter van het regeerakkoord over Verdonks beleidsterrein laten prevaleren boven de geest. Misschien moet eigenlijk gezegd worden dat de geest van het immigratie- en integratiebeleid te ondoordacht was en dat dit pas werkende weg werd ingezien.

Ook waren ze te veel aan het pluche gehecht om haar en daarmee de eigen positie op te offeren, te verbaasd over haar steeds weer opspelende gebrek aan kennis over de democratische spelregels en het moedwillig overtreden van die regels, te bang dat anderen dan zij de xenofobe onderbuik zouden gaan bespelen en er met de buit vandoor zouden gaan en te slap om haar op dat punt effectief en fatsoenlijk van repliek te dienen. Nog in haar laatste debat in de Tweede Kamer, vorige week, over een verbod op de dubbele nationaliteit, wist Verdonk in de ogen van een aantal fracties de kamerregels aan haar laars te lappen zonder dat daar afdoende een met argumenten en feiten onderbouwd betoog tegenover werd gezet.

De macht van Rita weerspiegelde feitelijk de collectieve onmacht van de anderen. Schelden op Verdonk had daardoor ook een gemakzuchtige kant: haar vervloeken was eenvoudiger dan nagaan hoe het zover had kunnen komen, eenvoudiger ook dan haar van repliek dienen of ingrijpen. Zo kon de vrouw die vanaf nu gewoon kamerlid is, haar stempel drukken op het tijdperk van de kabinetten-Balkenende II en III en blijft bij dit afscheid het beeld hangen van een tijdperk vol tumult, scheldpartijen, onrust en zich in woede samenballende onmacht.